Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:16127

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 oktober 2024
Publicatiedatum
8 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.34652
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 6 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank heeft op 23 september 2024 de zaak behandeld en beoordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat Duitsland het verzoek tot terugname heeft aanvaard. Er zijn geen aanwijzingen dat overdracht aan Duitsland een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert of dat er sprake is van onevenredige hardheid.

Eiser stelde dat bijzondere omstandigheden, zoals het verblijf van zijn vrouw en kinderen in Nederland en hun asielprocedure hier, een reden vormen om de aanvraag toch in behandeling te nemen. De rechtbank oordeelt echter dat de minister deze belangen voldoende heeft meegewogen en dat het feit dat de gezinsband tijdelijk was verbroken niet tot een andere uitkomst leidt.

De rechtbank wijst erop dat Nederland niet verplicht is de aanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro, zeker niet omdat eiser en zijn echtgenote nagelaten hebben in Griekenland of Duitsland een verzoek tot hereniging in te dienen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.34652

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Lavell),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] ,
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 28 augustus 2024, waarin de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft genomen omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
4.1.
De minister heeft geen reden gezien om van overdracht van eiser aan Duitsland af te zien. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser in Duitsland een reëel risico zal lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Ook zijn er geen bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht getuigt van een onevenredige hardheid, aldus de minister.
Hoofdstuk III van de Dublinverordening
5. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgrond dat hoofdstuk III van de Dublinverordening op eiser van toepassing zou zijn, laten vallen. Om deze reden zal de rechtbank deze beroepsgrond niet bespreken.
Had de minister de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich moeten trekken?
6. Eiser betoogt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister eisers asielaanvraag in behandeling moet nemen. Eisers vrouw en kinderen zijn in Nederland en doorlopen hier een asielprocedure. Dat de uitkomst daarvan nog ongewis is, is geen reden om eiser over te dragen aan Duitsland. Dat de gezinsband geruime tijd verbroken zou zijn geweest, mag de minister niet tegenwerpen. De oorzaak daarvan ligt in de noodzaak van eiser om uit Irak te vluchten en de gezinsband is al enkele maanden weer hersteld. De minister heeft ten onrechte de belangen van de kinderen niet meegewogen, terwijl hij daar op grond van artikel 6 van Pro de Dublinverordening wel toe gehouden is. De kinderen zijn voor hun evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling afhankelijk van eiser.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij geen aanleiding ziet om eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken. De minister heeft in zijn afweging betrokken dat eisers echtgenote en kinderen zich in Nederland bevinden en dat zij hier een asielprocedure doorlopen. Maar hij heeft erop kunnen wijzen dat ten tijde van de aanmelding van eisers echtgenote in Griekenland, het op de weg had gelegen van eiser en zijn echtgenote om in Griekenland dan wel Duitsland een verzoek in te dienen om te herenigen. Eiser en zijn echtgenote hebben dit nagelaten en er zelf voor gekozen om Duitsland en Griekenland te verlaten om in Nederland asiel aan te vragen. Dat maakt niet dat Nederland gehouden is de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken. Verder wijst de minister er niet ten onrechte op dat de uitkomst van de asielprocedure van eisers echtgenote nog ongewis is. Als haar aanvraag wordt afgewezen of niet-ontvankelijk wordt verklaard, moet zij terugkeren naar Griekenland. In de situatie dat aan eisers echtgenote wel een asielvergunning in Nederland zou worden verleend, kan zij een aanvraag voor gezinshereniging met eiser indienen en kan eiser, als de aanvraag wordt ingewilligd, alsnog bij zijn echtgenote en gezin in Nederland verblijven.
6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen. De minister wijst er niet ten onrechte op dat eiser niet heeft onderbouwd dat zijn kinderen voor hun evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling afhankelijk zijn van hem. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser en zijn kinderen al sinds 2018 van elkaar gescheiden zijn. Artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening bepaalt dat bij alle beslissingen het belang van het kind voorop gesteld moet worden. Dit betekent echter niet dat artikel 6 van Pro de Dublinverordening de minister verplicht om het asielverzoek onverplicht aan zich te trekken. Een lidstaat die niet verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, is niet verplicht op grond van artikel 6 van Pro de Dublinverordening rekening te houden met het belang van het kind. Ook is deze lidstaat niet verplicht om het verzoek zelf te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening. [3] Het betoog slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Gooijer, rechter, in aanwezigheid van mr. H.C.M. Pijnenburg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.HvJ EU 23 januari 2019, C-661/17, ECLI:EU:C:2019:53 (M&A).