Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:1582

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2024
Publicatiedatum
13 februari 2024
Zaaknummer
C/09/659264/KG RK 24-1
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid

De meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Den Haag behandelde op 12 februari 2024 een wrakingsverzoek van verzoeker tegen mr. C.G. Meeder, rechter in een bestuursrechtelijke zaak tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag.

Verzoeker stelde dat de rechter niet objectief was en een andere houding aannam tegenover hem en zijn gemachtigde dan tegenover de wederpartij, wat de onpartijdigheid van de rechtbank in het geding zou brengen. De wrakingskamer oordeelde dat klachten over de bejegening niet via wraking kunnen worden ingediend en dat de vermeende verschillen in houding onvoldoende concreet waren onderbouwd.

Tijdens de mondelinge behandeling werd een aanvullende grond aangevoerd over een opmerking van de rechter, maar deze was al bekend bij verzoeker voor het verzoek en kon daarom niet worden meegenomen. Ook eerdere klachten over de houding van de rechter in andere zaken werden niet geaccepteerd.

De wrakingskamer wees het verzoek tot wraking af en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die stond bij indiening van het verzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens onvoldoende concrete aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2023/123
zaak- /rekestnummer: C/09/659264/ KG RK 24-1
Beslissing van 12 februari 2024
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
gemachtigde [gemachtigde] te [woonplaats] ,
strekkende tot de wraking van
mr. C.G. Meeder,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de zitting van 22 december 2023, waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 17 januari 2024.
1.2.
Op 29 januari 2024 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de gemachtigde van verzoeker en
- de rechter.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR 22-3178 tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting en de toelichting bij de mondelinge behandeling het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Volgens gemachtigde van verzoeker kijkt de rechter niet op een objectieve manier naar de zaak. De houding tegenover eiser en zijn gemachtigde is anders dan tegenover het college. Dit brengt de objectiviteit van de rechtbank in het geding.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
De klachten van de gemachtigde van verzoeker betreffen in wezen de manier waarop hij door de rechter is bejegend. Voor dergelijke klachten is de wrakingsprocedure niet bedoeld. Dat de houding van de rechter jegens de gemachtigde van verzoeker anders is dan tegenover de wederpartij is naar het oordeel van de wrakingskamer niet alleen onvoldoende concreet gemaakt, maar blijkt ook niet uit het proces-verbaal van de zitting. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening (de schijn van) partijdigheid van de rechter besloten ligt, zijn derhalve gesteld noch gebleken. Verzoeker kan over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur.
3.3.
Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft gemachtigde van verzoeker nog aan zijn verzoek toegevoegd dat de rechter op de zitting meerdere malen tegen de gemachtigde van verzoeker heeft gezegd dat hij niet te hoog van de daken moest schreeuwen. Op de vraag tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek wat deze opmerking volgens de gemachtigde betekende, heeft hij geen helder antwoord gegeven. De gemachtigde van verzoeker voelde het als een persoonlijke aanval, maar hij wist niet welke bedoeling de rechter ermee had. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan aan deze stelling geen betekenis worden toegekend en bovendien schrijft de wet voor dat alle omstandigheden die leiden tot het wrakingsverzoek tegelijk worden voorgedragen. Nieuwe omstandigheden ter onderbouwing van een wrakingsverzoek worden alleen in de beoordeling betrokken als deze pas na indiening van het verzoek aan verzoeker bekend zijn geworden. De door gemachtigde van verzoeker aangevoerde nadere grond was hem echter al vóór indiening van het verzoek bekend, zodat deze aanvulling hoe dan ook niet tot wraking kan leiden. Dit geldt eveneens voor zijn stelling dat de rechter ook in eerdere zaken een onacceptabele houding aannam.
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn gemachtigde;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, C.M. van der Kleijn en S.E. Postema, in tegenwoordigheid van de griffier D. van den Born en in het openbaar uitgesproken op
12 februari 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.