Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E. Sweerts).
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende op 29 november 2023 een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie op 19 juli 2024 werd afgewezen. De minister stelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b en c van de Vreemdelingenwet 2000, omdat zijn verklaringen over een onterechte veroordeling tot 14 jaar gevangenisstraf niet onderbouwd waren met objectieve documenten en inconsistent waren.
Eiser voerde aan dat hij documenten met vertalingen had overgelegd ter ondersteuning van zijn asielrelaas, maar gaf geen plausibele verklaring waarom deze niet eerder waren ingediend en waarom originele documenten ontbraken. De rechtbank vond de verklaringen van eiser niet samenhangend en aannemelijk, met tegenstrijdigheden in tijdlijnen en feiten.
De minister stelde dat het causale verband tussen de veroordeling en de familie van de partner van eiser niet aannemelijk was gemaakt. Ook was de overgelegde beschikking van de kamer voor tenlastelegging incompleet. De rechtbank volgde de minister en concludeerde dat het asielmotief ongeloofwaardig was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning als vluchteling of op grond van subsidiaire bescherming.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardige onterechte veroordeling.