ECLI:NL:RBDHA:2024:15553
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen afwijzing proceskostenvergoeding na toekenning draaginsigne gewonden
Opposant heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een Draaginsigne Gewonden (DIG). Na een beroepsprocedure waarin het DIG alsnog werd toegekend, trok opposant het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten. De rechtbank wees dit verzoek aanvankelijk af zonder zitting.
In het verzet tegen deze afwijzing oordeelt de rechtbank dat het verzoek om proceskostenvergoeding niet zonder zitting mocht worden afgewezen omdat het oordeel niet buiten redelijke twijfel stond. Opposant stelde dat de besluitvorming in de primaire en bezwaarfase onzorgvuldig was en onvoldoende gemotiveerd, en dat de staatssecretaris eerder rekening had kunnen houden met aanvullende informatie over incidenten.
De rechtbank concludeert dat de staatssecretaris niet onrechtmatig heeft gehandeld, maar dat het verzoek om proceskostenvergoeding voor de verzetprocedure gegrond is. De vergoeding voor de ingetrokken beroepsprocedure wordt afgewezen. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van €875,- aan proceskostenvergoeding voor de verzetprocedure.
Uitkomst: Verzet gegrond; proceskostenvergoeding van €875,- toegekend voor de verzetprocedure; verzoek om vergoeding voor ingetrokken beroepsprocedure afgewezen.