ECLI:NL:RBDHA:2024:15334

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 september 2024
Publicatiedatum
26 september 2024
Zaaknummer
NL24.36217
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwVerordening (EU) nr. 604/2013
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring en verzoek om schadevergoeding afgewezen

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende persoon, werd op 16 september 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen deze maatregel stelde eiser beroep in en verzocht tevens om schadevergoeding. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, heeft de bewaring op 19 september 2024 opgeheven.

De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was en daarmee aanleiding gaf tot schadevergoeding. Eiser voerde aan dat de uiterste overdrachtsdatum onjuist was vastgesteld, waarbij hij een uniforme interpretatie van de termijn van zes maanden als 30 dagen per maand verlangde.

De rechtbank oordeelde dat er voldoende concrete aanwijzingen waren dat de Dublinverordening op eiser van toepassing was en dat de maatregel van bewaring rechtmatig was opgelegd. De discussie over de juiste uiterste overdrachtsdatum raakt niet aan de rechtmatigheid van de bewaring zelf. Ambtshalve toetsing leidde niet tot een oordeel van onrechtmatigheid.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36217

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 19 september 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft in het beroepschrift van 17 september 2024 de gronden van het beroep vermeld. Na de mogelijkheid daartoe heeft eiser deze beroepsgronden niet nader aangevuld. Verweerder heeft op 24 september 2024 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 24 september 2024 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1980 en de Syrische nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Uiterste overdrachtsdatum
3. Eiser stelt dat de gehanteerde uiterlijke overdrachtsdatum onjuist is. Hij meent dat de periode van zes maanden uniform uitgelegd moet worden, waarbij een maand gelijk staat aan 30 dagen.
4. De rechtbank stelt voorop dat er, mede gelet op het overdrachtsbesluit van 18 juni 2024, voldoende concrete aanwijzingen aanwezig waren dat de Dublinverordening [2] op eiser van toepassing was. Verweerder heeft eiser dan ook in bewaring heeft mogen stellen op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. De bewaringsrechter beoordeelt enkel de rechtmatigheid van de maatregel die op 16 september 2024 aan eiser is opgelegd. De vraag of in het kader van het overdrachtsbesluit de juiste uiterste overdrachtsdatum werd gehanteerd, raakt niet de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring.

Ambtshalve toets

5. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.