ECLI:NL:RBDHA:2024:15113
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, met Iraakse nationaliteit en lid van de Jezidi-religieuze minderheid, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. De minister nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiser vreesde indirect refoulement bij overdracht aan Duitsland, waar zijn eerdere asielverzoek was afgewezen en een terugkeerbesluit was opgelegd.
De rechtbank oordeelt dat de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat lidstaten hun verdragsverplichtingen nakomen. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat het Duitse asiel- en opvangsysteem ernstige tekortkomingen vertoont die een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro opleveren.
Ook is niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij Duitse autoriteiten zinloos is. De rechtbank stelt dat binnen de Dublinprocedure geen beoordeling kan plaatsvinden van het risico op indirect refoulement tenzij het vertrouwensbeginsel niet langer geldt, wat hier niet het geval is.
Daarom is het beroep kennelijk ongegrond en wordt het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.