ECLI:NL:RBDHA:2024:15111

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
23 september 2024
Zaaknummer
NL24.31337 en NL24.31338
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Duitsland

Eiseres, van Iraakse nationaliteit en lid van de Jezidi religieuze minderheid, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. De minister nam haar aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiseres vreesde indirect refoulement bij overdracht aan Duitsland, omdat haar eerdere asielverzoek daar was afgewezen en zij vreest terugkeer naar Noord-Irak met risico op ernstige schendingen van haar rechten.

De rechtbank oordeelt dat de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat lidstaten hun verdragsverplichtingen nakomen. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat het Duitse asiel- en opvangsysteem ernstige tekortkomingen vertoont die een reëel risico op onrechtmatige behandeling opleveren. Haar vrees voor ontvoering, verkrachting en vernedering is niet concreet gemaakt.

De rechtbank stelt dat binnen de Dublinprocedure niet kan worden getoetst of indirect refoulement dreigt, tenzij het vertrouwensbeginsel niet langer geldt, wat hier niet het geval is. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.31337 en NL24.31338
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiseres/verzoekster], V-nummer: [V-nummer], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 augustus 2024 niet in behandeling genomen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres stelt de Iraakse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2000. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres stelt dat verweerder het risico op indirect refoulement miskent door haar aan Duitsland over te dragen. In Duitsland is haar verzoek om internationale bescherming afgewezen en is haar een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft gegronde vrees om in Duitsland opnieuw in vreemdelingenbewaring te worden gezet en naar Noord-Irak uitgezet te worden. Duitsland komt zijn internationale verplichtingen niet na. Eiseres is Jezidi, een religieuze minderheidsgroep. Bij uitzetting naar Noord-Irak loopt zij risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [2] en artikel 4 van Pro het Handvest [3] . Eiseres heeft te vrezen voor ontvoering, verkrachting en vernedering. Verweerder had de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid Dublinverordening, inhoudelijk in behandeling moeten nemen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan een van deze lidstaten, in dit geval Duitsland, een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Hiervoor moeten de vastgestelde tekortkomingen een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
5.1
De rechtbank is van oordeel dat eiseres hier niet in geslaagd is. De minister mag ten aanzien van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft niet geconcretiseerd en onderbouwd welke ernstige tekortkomingen het Duitse opvang- en asielsysteem kent. De enkele omstandigheid dat haar eerdere asielverzoek is afgewezen en dat zij in vreemdelingenbewaring gezet zou zijn, is daartoe onvoldoende. Het gestelde feit dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt of dat eiseres daar te vrezen heeft voor ontvoering, verkrachting en vernedering heeft eiseres niet onderbouwd. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres bij voorkomende problemen de autoriteiten van Duitsland of de daarvoor geschikte instanties van Duitsland kan benaderen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5.2
Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd, geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden betreffen dat deze maken dat haar overdracht aan Duitsland van een zodanige onevenredige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
6. Ten aanzien van de vrees van eiseres om te worden uitgezet naar Noord-Irak, overweegt de rechtbank dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 30 november 2023 [4] en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024. [5] Dit is alleen anders indien niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land. Dat is hier, zoals hiervoor overwogen niet aan de orde.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [6] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.HvJEU, 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
5.Afdeling, 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
6.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.