Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
Procesverloop
Overwegingen
10.1 Wettelijk kader
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Syrische minderjarige, en zijn broer, de referent, hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk was gemaakt dat er een pleegrelatie tussen hen bestond. De rechtbank oordeelt dat de minister dit standpunt niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd.
De kern van het geschil betreft de vraag of er een pleegrelatie van rechtswege is ontstaan tussen eiser en referent, mede vanwege het hertrouwen van hun moeder en het verlies van haar verzorgingsrecht. De rechtbank stelt vast dat de minister relevante documenten en verklaringen onvoldoende heeft betrokken bij zijn beoordeling, waaronder een familieregistratie die het hertrouwen van de moeder ondersteunt en consistente verklaringen van referent en hun oom.
Daarnaast heeft de minister onterecht aangenomen dat de oom de feitelijke rol van pleegouder vervulde, terwijl uit verklaringen blijkt dat referent deze rol had. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb en draagt op dat de minister binnen acht weken een nieuwe beslissing neemt. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht worden vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd met opdracht tot nieuwe beslissing binnen acht weken.