ECLI:NL:RBDHA:2024:14952

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
20 september 2024
Zaaknummer
NL24.27723
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b VwArt. 62, tweede lid, onder b, VwArt. 66a, eerste lid, onder a, Vw
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens kennelijke ongegrondheid en oplegging inreisverbod

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende jongvolwassene, diende op 12 juni 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 2 juli 2024 af als kennelijk ongegrond en legde een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar op.

Eiser voerde aan dat hij direct na binnenkomst asiel had aangevraagd, maar het proces-verbaal van gehoor toonde aan dat hij drie dagen eerder was binnengekomen en asiel niet direct had aangevraagd omdat hij eerst geld nodig had en vergeten was dit te doen. Hierdoor was de aanvraag terecht kennelijk ongegrond verklaard.

De rechtbank behandelde het beroep op 11 september 2024, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank handhaafde het besluit van de minister en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

De uitspraak benadrukt dat het niet direct aanvragen van asiel na binnenkomst een grond is voor kennelijke ongegrondheid en dat het opleggen van een inreisverbod in dit geval rechtmatig was.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27723

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2005 en de Turkse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 12 juni 2024 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 2 juli afgewezen als kennelijk ongegrond en daarbij aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Bij bericht van 23 augustus 2024 heeft verweerder medegedeeld dat eiser op 26 juli 2024 vrijwillig is vertrokken met behulp van International Organization for Migration (IOM).
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met vooraf bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. De gemachtigde van eiser heeft bij de afmelding voor de zitting op 2 september 2024 bericht nog contact met eiser te onderhouden en dat eiser heeft aangegeven zijn beroep “
met betrekking tot het inreisverbod, en daarmee samenhangend de kennelijke afdoening door verweerder, te willen handhaven”. Op basis van deze mededeling beperkt de rechtbank haar beoordeling tot het als
kennelijkafdoen van de asielaanvraag en het inreisverbod. De asielaanvraag is kennelijk ongegrond verklaard, omdat eiser niet direct na zijn inreis asiel heeft aangevraagd.
2. Eiser voert aan dat hij heeft verklaard dat hij op 12 juni 2024 Nederland is ingereisd. Vervolgens is hij opgehaald door zijn neef, die hem niet onmiddellijk naar het aanmeldcentrum kon brengen. Hij heeft die dag zijn neef vergezeld op zijn werk en heeft van zijn neef reservekleding gekregen. Diezelfde dag is hij aangehouden en heeft hij asiel aangevraagd. Verweerder had de asielaanvraag daarom niet kennelijk ongegrond mogen verklaren op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw [1] en er had aan eiser geen vertrektermijn mogen worden onthouden of een inreisverbod mogen worden opgelegd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. Uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling op 13 juni 2024 blijkt dat eiser op 12 juni 2024 heeft verklaard dat hij drie dagen daarvoor Nederland is ingereisd, rond 9 juni 2024. [2] Verder heeft hij verklaard dat hij grondwerkzaamheden heeft verricht door kabels in de grond te leggen en dat hij onderweg was naar Den Haag toen hij werd aangehouden. [3] Verder heeft hij verklaard dat hij vergeten was asiel aan te vragen en dat hij eerst geld nodig had. [4] Gelet op deze verklaringen heeft verweerder ervan uit mogen gaan dat eiser niet direct asiel heeft aangevraagd, nadat hij Nederland is ingereisd en is de asielaanvraag terecht kennelijk ongegrond verklaard. Als gevolg hiervan heeft verweerder een vertrektermijn mogen onthouden [5] en is terecht een inreisverbod opgelegd. [6] De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 17 september 2024 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Proces-verbaal van gehoor, pagina 3.
3.Proces-verbaal van gehoor, pagina 4.
4.Proces-verbaal van gehoor, pagina 5.
5.Op grond van artikel 62, tweede lid, onder b, van de Vw.
6.Op grond van artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw.