ECLI:NL:RBDHA:2024:14947
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Gegrond verzet tegen proceskostenveroordeling in asielprocedure wegens onjuiste wegingsfactor
De zaak betreft een verzetprocedure tegen een eerdere uitspraak van 3 januari 2024 waarin de rechtbank de Minister van Asiel en Migratie had opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen op de asielaanvraag van opposant. Opposant stelde dat de rechtbank ten onrechte een te lage wegingsfactor ('zeer licht') toepaste bij de proceskostenveroordeling.
De rechtbank oordeelt dat de wegingsfactor inderdaad onjuist is toegepast en verwijst naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, waarin is vastgesteld dat in vreemdelingenzaken tegen niet-tijdig beslissen een wegingsfactor van ten minste 0,5 moet worden gehanteerd. Hierdoor wordt de uitspraak van 3 januari 2024 gedeeltelijk vervallen verklaard, namelijk voor zover artikel 8:75 van Pro de Awb onjuist is toegepast.
De rechtbank hervat het onderzoek in de stand van voor de buitenzittinguitspraak en doet op grond van artikel 8:55, tiende lid, Awb ook uitspraak op het beroep. De rechtbank veroordeelt de Minister tot betaling van proceskosten in zowel de beroeps- als de verzetprocedure, waarbij een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast, resulterend in een bedrag van €437,50 per procedure.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting omdat er geen twijfel bestaat over de uitkomst. Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend voor zover het verzet betreft; tegen het beroep is hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het verzet en het beroep zijn gegrond verklaard en de Minister is veroordeeld tot betaling van proceskosten van €437,50 per procedure.