ECLI:NL:RBDHA:2024:14941

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 september 2024
Publicatiedatum
20 september 2024
Zaaknummer
NL24.26683
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting na intrekking verblijfsvergunning

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie tot intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, met terugwerkende kracht tot 14 juni 2019, en een inreisverbod van tien jaar. Tevens is een terugkeerbesluit genomen gericht op onmiddellijk vertrek naar Marokko.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit primaire besluit en verzocht om uitstel van uitzetting totdat op het bezwaar is beslist. De minister heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen het verzoek om voorlopige voorziening voor zover het betreft het niet uitzetten van verzoeker gedurende de bezwaarprocedure.

De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan en het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk gegrond verklaard. Hierdoor mag verzoeker de beschikking op bezwaar in Nederland afwachten en mag hij niet worden uitgezet naar Marokko tot en met de datum van bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Daarnaast is de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de gemachtigde van verzoeker, vastgesteld op € 875,-. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet naar Marokko totdat op het bezwaar tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26683

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de voorzieningenrechter over het verzoek om een voorlopige voorziening dat door verzoeker is ingediend.
1.1
Bij besluit van 3 juni 2024 (primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van verzoeker ingetrokken met terugwerkende kracht tot 14 juni 2019. Ook is een terugkeerbesluit gericht op onmiddellijk vertrek naar Marokko en een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar aan verzoeker opgelegd.
1.2
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, teneinde uitzetting van eiser te voorkomen totdat op het bezwaar is beslist.
1.3
Bij schrijven van 6 september 2024 heeft verweerder aangegeven zich niet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening te verzetten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter doet in deze zaak op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. Nu verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, voor zover dat ziet op het niet uitzetten van verzoeker totdat er op het bezwaar is beslist, zal de voorzieningenrechter dit verzoek als kennelijk gegrond toewijzen. [1] Dit betekent dat verzoeker de beschikking op bezwaar in Nederland mag afwachten en dat verzoeker in ieder geval tot en met de datum van bekendmaking van die beschikking op bezwaar niet naar Marokko uitgezet mag worden.
4. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 875,-, wegingsfactor 1). Verweerder dient dit bedrag te betalen aan de gemachtigde van verzoeker.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • treft de voorlopige voorziening dat verzoeker niet naar Marokko mag worden uitgezet tot en met de datum van bekendmaking van de beschikking op bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en de uitspraak is verzonden op:
Tegen deze uitspraak is géén hoger beroep of verzet mogelijk.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.