Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Procesverloop
Overwegingen
Zicht op uitzetting en voortvarendheid
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, die stelt Tunesische nationaliteit te hebben, kreeg op 3 maart 2024 een terugkeerbesluit en een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser betwistte de toevoeging van Algerije en Marokko aan het terugkeerbesluit en stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde en geen zicht op uitzetting bestond.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom Algerije en Marokko zijn toegevoegd, mede omdat de Tunesische autoriteiten eiser niet erkennen. De zware gronden voor de maatregel van bewaring zijn feitelijk juist en voldoende onderbouwd, en de lichte gronden zijn niet betwist. Er is voldoende risico dat eiser zich aan toezicht onttrekt.
Verder is er volgens de rechtbank wel degelijk zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije en Marokko, mede door lopende laissez-passer aanvragen. Verweerder heeft voldoende voortvarend gehandeld, en een taalanalyse of herkomstonderzoek was niet verplicht. De beroepen worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
De uitspraak is gedaan door rechter N.M. Spelt en griffier K.F.K. Hoogbruin op 14 maart 2024. Tegen het vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De beroepen tegen het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring zijn ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.