ECLI:NL:RBDHA:2024:14623

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 september 2024
Publicatiedatum
13 september 2024
Zaaknummer
NL23.14383
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:84 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak

Verzoeker heeft bij de minister bezwaar gemaakt tegen een ambtshalve beoordeling waarbij toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 werd afgewezen. Na bezwaar verklaarde de minister dit bezwaar gegrond en verleende uitstel van vertrek, waarop verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening introk met een verzoek tot proceskostenvergoeding.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens het verzoek tot proceskostenvergoeding beoordeeld zonder zitting en overwogen dat hoewel de minister aan het verzoek is tegemoetgekomen, er geen sprake is van een aan de minister toe te rekenen onrechtmatigheid. Tevens is vastgesteld dat verzoeker de benodigde bewijsmiddelen pas na het indienen van het bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening heeft overgelegd.

Gezien deze omstandigheden is het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Tevens werd het verzoek om vrijstelling van griffierecht toegewezen, waardoor verzoeker geen griffierecht hoefde te betalen.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen, ondanks het intrekken van het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.14383

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. E. Ebes),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 12 april 2024 heeft de minister het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard, waarbij verzoeker het gevraagde uitstel van vertrek is verleend.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
De minister heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat geen aanleiding bestaat tot een veroordeling in de proceskosten.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Verzoeker hoeft dus geen griffierecht te betalen.
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is de minister tegemoet gekomen aan het verzoek om een voorlopige voorziening.
5. De minister is weliswaar tegemoetgekomen aan het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De minister heeft het bestreden besluit niet herroepen wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Vastgesteld kan worden dat verzoeker de gevraagde bewijsmiddelen pas na het indienen van bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening heeft overgelegd. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.