ECLI:NL:RBDHA:2024:14049

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 augustus 2024
Publicatiedatum
4 september 2024
Zaaknummer
NL24.29348
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht aan Kroatië in asielprocedure

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 juli 2024 van de minister van Asiel en Migratie betreffende zijn asielaanvraag. Tegelijkertijd verzocht hij om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij tijdens de behandeling van het beroep aan Kroatië wordt overgedragen.

De voorzieningenrechter overwoog dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de voorlopige voorziening omdat de minister heeft meegedeeld dat de behandeling van het beroep niet in Nederland mag plaatsvinden. De kern van het geschil betreft de vraag of de minister nog mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië, een kwestie die in de hoofdzaak door een meervoudige kamer zal worden behandeld.

Gezien het belang van de uitkomst van de hoofdzaak en de afwezigheid van een geplande zitting van de meervoudige kamer, besloot de voorzieningenrechter het verzoek toe te wijzen. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe en verbiedt overdracht aan Kroatië totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.29348

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 augustus 2024 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1]
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend hangende zijn beroep tegen het besluit van 23 juli 2024 van de minister op de asielaanvraag van verzoeker.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zaaknummer NL24.29347. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de zaak NL24.29347 op 19 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Als tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [2]
3. De minister heeft aan verzoeker meegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Dat betekent dat verzoeker nog tijdens de behandeling van het beroep aan Kroatië kan worden overgedragen. Verzoeker heeft daarom een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
4. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet aan Kroatië zal worden overgedragen totdat op het beroep is beslist. In die beroepsprocedure is (onder meer) aan de orde of de minister voor Kroatië nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In deze zittingsplaats zal die vraag door een meervoudige kamer worden behandeld. Deze zitting is nog niet gepland. De uitspraak van de meervoudige kamer zal van belang zijn voor de uitkomst van de beroepsprocedure van verzoeker. In afwachting van de uitkomst van die procedure wijst de voorzieningenrechter daarom het verzoek van verzoeker toe.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van verzoeker toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker niet aan Kroatië mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist.
5.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.750,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde van € 875,- per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- treft de voorlopige voorziening dat verzoeker niet aan Kroatië mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Dat staat in artikel 8:81 van Pro de Awb.