Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr. S.M. Hampsink, griffier.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag heeft op 27 augustus 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister had het verzoek afgewezen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is omdat hij eerder in Duitsland een asielverzoek had gedaan dat was afgewezen en hij bang is voor discriminatie en racisme bij terugkeer. Ook stelde hij dat de minister zijn aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening alsnog inhoudelijk had moeten behandelen vanwege bijzondere individuele omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aangezien eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat het Duitse asiel- en opvangsysteem ernstige tekortkomingen vertoont die een schending van artikel 3 EVRM Pro opleveren. De enkele afwijzing van een eerdere aanvraag en de vage verwijzingen naar discriminatie zijn onvoldoende. Ook is niet gebleken dat eiser de Duitse autoriteiten hierover heeft benaderd. Daarnaast is het verzoek op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro niet geslaagd, omdat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden heeft aangetoond die een overdracht aan Duitsland onevenredig hard maken.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en blijft het besluit van de minister in stand. Eiser mag worden overgedragen aan Duitsland en krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag mag worden overgedragen aan Duitsland.