ECLI:NL:RBDHA:2024:13570
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2024 behandeld en beoordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel tussen Nederland en Duitsland geldt. Eiser heeft aangevoerd dat dit vertrouwensbeginsel niet opgaat vanwege discriminatie en problemen met de opvang in Duitsland, maar heeft dit onvoldoende aannemelijk gemaakt.
De rechtbank overweegt dat hoewel rechtsextremistisch geweld in Duitsland voorkomt, er geen bewijs is dat eiser geen bescherming kan krijgen van Duitse autoriteiten. Ook is niet gebleken van structurele tekortkomingen in de Duitse asielprocedure die overdracht zouden verbieden. De beoogde familiebanden in Nederland zijn onvoldoende om toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening te rechtvaardigen.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en blijft het besluit van de staatssecretaris in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter P.J.M. Mol op 7 juni 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.