ECLI:NL:RBDHA:2024:13562

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2024
Publicatiedatum
26 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.26638
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewaring vreemdeling wegens risico op onderduiken in Dublinprocedure

Eiser, van Syrische nationaliteit, is door verweerder de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel is genomen vanwege een concreet aanknopingspunt voor een overdracht op grond van de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken.

De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke gronden voor de bewaring niet betwist en ook het risico op onderduiken niet heeft weerlegd. Eiser voerde aan dat een lichter middel passend zou zijn, mede omdat hij een voorlopige voorziening heeft gekregen die de overdracht tijdelijk verbiedt en de uiterste overdrachtsdatum is verlengd tot mei 2025.

De rechtbank oordeelt echter dat de voorlopige voorziening geen afbreuk doet aan de wettelijke grondslag voor bewaring. Gezien het eerdere onttrekken aan overdracht en het risico dat eiser zich na invrijheidstelling opnieuw onttrekt, is bewaring gerechtvaardigd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26638

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

[V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en
de Minister van Asiel en Migratie, daaronder tevens verstaan diens ambtsvoorgangers, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. van Nunen-Mikhail. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2000.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als
zware grondenvermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als
lichte grondenvermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
3. De feitelijke juistheid van de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd zijn door eiser niet betwist en komen de rechtbank niet onjuist voor. Evenmin heeft eiser het significant risico op onttrekking aan het toezicht, dat uit deze gronden volgt, bestreden. Daarom kunnen deze gronden de maatregel naar het oordeel van de rechtbank dragen.
4. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser is op dit moment niet uitzetbaar omdat hij een voorlopige voorziening toegewezen heeft gekregen op 8 juli 2024. De uiterste overdrachtsdatum is verder verlengd tot mei 2025, er is dus nog tijd genoeg om eiser over te dragen. Eiser bestrijdt niet dat hij zich eerder heeft onttrokken aan de overdracht, maar dat is menselijkerwijs begrijpelijk omdat zijn broertje ook in Nederland verblijft.
5. Naar het oordeel van de rechtbank doet de toewijzing van de voorlopige voorziening, die ertoe strekt dat de overdracht wordt verboden totdat op het bezwaar tegen de feitelijke overdracht is beslist, geen afbreuk aan de wettelijke grondslag voor de bewaring. Niet in geschil is dat op eiser de Dublinverordening van toepassing is en dat de gronden wijzen op een significant risico op onderduiken.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen lichter middel doeltreffend kon worden toegepast. Daarbij heeft ten eerste te gelden dat de gronden en de daarbij gegeven motivering wijzen op een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast heeft verweerder er wezenlijk belang bij om eiser thans ‘in beeld’ te houden nu eiser heeft erkend zich te hebben onttrokken aan zijn geplande overdracht in mei 2024. Dat de overdrachtstermijn nog bijna een jaar duurt ziet de rechtbank niet als reden om de bewaring achterwege te laten; het is immers maar zeer de vraag of eiser zich na invrijheidstelling beschikbaar zou houden voor overdracht en zo nee, of eiser binnen de overdrachtstermijn weer in de handen van verweerder zou geraken.
7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan, bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, onrechtmatig moet worden geacht.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.M. van Dommele, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.