De rechtbank Den Haag heeft op 7 februari 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser bezwaar maakte tegen een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Het terugkeerbesluit is gebaseerd op een veroordeling van eiser wegens handel in cocaïne en witwassen, wat volgens de staatssecretaris een actuele en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde.
Eiser voerde aan dat het om een eenmalig incident ging en dat hij geen daadwerkelijke bedreiging vormde. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht meerdere en ernstige misdrijven aan het terugkeerbesluit ten grondslag heeft gelegd. Ook de stelling van eiser dat hij spijt heeft en normbesef toont, werd door de rechtbank niet voldoende geacht om het besluit te wijzigen.
Ten aanzien van het inreisverbod stelde eiser dat zijn persoonlijke situatie onvoldoende is meegewogen en dat de staatssecretaris geen overlegprocedure was gestart. De staatssecretaris heeft het inreisverbod echter niet langer gehandhaafd nadat Polen had bevestigd dat de verblijfsvergunning van eiser niet wordt ingetrokken. Hierdoor verklaarde de rechtbank het beroep tegen het inreisverbod niet-ontvankelijk.
De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van eiser. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.