Eiser, een Somalische asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning asiel wegens vrees voor gedwongen rekrutering door Al-Shabaab en discriminatie vanwege zijn minderheidsgroep. Hij stelde dat zijn oom, een lid van Al-Shabaab, hem had benaderd om als automonteur voor de terreurgroep te werken, en dat de veiligheidssituatie in Marka precair is.
De minister wees de aanvraag af omdat de vrees voor gedood worden niet aannemelijk was, hoewel discriminatie wel werd erkend maar niet als zwaarwegend genoeg. De rechtbank oordeelde dat de minister geen nieuw voornemen hoefde uit te brengen en dat de verklaringen over de oom geloofwaardig waren. De rechtbank vond dat de minister terecht stelde dat Marka onder controle staat van de federale overheid en dat de veilige bootverbinding naar Marka het risico beperkt.
Hoewel de rechtbank erkende dat het telefoontje van de oom als rekruteringspoging moet worden gezien, vond zij dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk gevaar loopt, mede omdat hij slechts één keer telefonisch contact had en er geen concrete dreiging was. Ook de verklaringen van zijn ouders over bedreigingen waren onvoldoende concreet. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en kreeg eiser geen proceskostenvergoeding.