Eiser, van Colombiaanse afkomst, deed in 2021 mee aan protesten tegen de regering en werd door paramilitairen bedreigd. Hij vluchtte naar Nederland en vroeg asiel aan. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was dat hij bij terugkeer opnieuw risico liep op ernstige schade. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris ten onrechte de bewijslast bij eiser legde, terwijl de bewijslast omgekeerd is volgens artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar laat de rechtsgevolgen in stand omdat de staatssecretaris in beroep alsnog aannemelijk heeft gemaakt dat het risico op vervolging of ernstige schade bij terugkeer niet reëel is. De machtswisseling in Colombia en het gewijzigde politieke klimaat onder president Petro zijn daarbij van belang. Er is geen bewijs dat paramilitairen nog actief demonstranten van 2021 vervolgen.
Hoewel eiser vreest voor paramilitairen die nu mogelijk in opdracht van lokale overheden werken, is dit niet geloofwaardig gemaakt. De rechtbank wijst ook op de beperkte relevantie van de door eiser overgelegde landeninformatie en nieuwsberichten. De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.