ECLI:NL:RBDHA:2024:13153
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt dat de zienswijze van eiser niet is meegenomen bij het bestreden besluit, wat in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarom wordt het besluit van 6 juni 2024 vernietigd en de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat het aanvullende besluit van 10 juni 2024 de zienswijze alsnog inhoudelijk heeft betrokken. De rechtbank overweegt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Duitsland niet geldt en dat Nederland niet verplicht is de asielaanvraag inhoudelijk te beoordelen.
Eiser kan de afwijzing in Duitsland aanvechten of een nieuwe aanvraag doen. Het beroep op risico van indirect refoulement faalt omdat de minister mag uitgaan van het vertrouwensbeginsel. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit, laat de rechtsgevolgen in stand en veroordeelt de minister tot betaling van € 875,- proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.