ECLI:NL:RBDHA:2024:13145
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2024 behandeld en beoordeeld.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zweden niet langer geldt vanwege het ontbreken van opvang en rechtsbijstand in Zweden, en dat er een reëel risico op indirect refoulement naar Syrië bestaat. Tevens deed hij een beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening wegens bijzondere omstandigheden die tot onevenredige hardheid zouden leiden.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die het vertrouwensbeginsel doorbreken. Zijn verblijf bij familie in Zweden en het feit dat hij zelf een advocaat heeft ingeschakeld, wijzen niet op een schending van het recht op rechtsbijstand. Daarnaast is er geen sprake van systeemfouten in Zweden die een risico op indirect refoulement rechtvaardigen. Het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening faalt eveneens.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.