De burgemeester van Delft legde op 1 juli 2024 een huisverbod op aan verzoeker wegens een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van de achterblijfster en minderjarige kinderen in de woning. Dit verbod werd op 10 juli 2024 verlengd tot 29 juli 2024. Verzoeker stelde beroep in tegen deze verlenging en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het huisverbod bij de oorspronkelijke oplegging terecht was opgelegd, maar dat op het moment van de verlenging de situatie onveranderd was en het gevaar voortduurde doordat er geen netwerkgesprek had plaatsgevonden en geen veiligheidsafspraken waren gemaakt. De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het huisverbod terecht was verlengd.
Echter, op de zitting van 25 juli 2024 oordeelde de voorzieningenrechter dat door het vertrek van de achterblijfster en de kinderen naar Polen vanaf 16 juli 2024 het gevaar was weggevallen. Het voortzetten van het huisverbod was daardoor niet langer proportioneel. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat geen belang meer bestond. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.
De rechtbank vernietigde het besluit tot verlenging van het huisverbod met ingang van 25 juli 2024, waarbij de rechtsgevolgen tot die datum in stand bleven. Het vonnis benadrukt het belang van het gesprek tussen partijen en het accepteren van hulpverlening, ondanks het vervallen van het huisverbod.