ECLI:NL:RBDHA:2024:12996

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 augustus 2024
Publicatiedatum
15 augustus 2024
Zaaknummer
C/09/669604 / KG ZA 24-666
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verbod op inhoudingen en verrekeningen door DJI met declaraties van Zorggroep ’t Achterhuus B.V.

In deze zaak heeft Zorggroep ’t Achterhuus B.V. (hierna: ‘t Achterhuus’) een kort geding aangespannen tegen de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, en de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI). De aanleiding voor het kort geding was een betaalstop die DJI had ingesteld op de declaraties van ‘t Achterhuus, die verband hield met een materiële controle over de zorgprestaties die ‘t Achterhuus in 2021 had gedeclareerd. De voorzieningenrechter heeft op 5 augustus 2024 geoordeeld dat DJI niet gerechtigd is om inhoudingen of verrekeningen te doen met de declaraties van ‘t Achterhuus, totdat de omvang van de vordering van DJI op ‘t Achterhuus in een bodemprocedure is vastgesteld.

De procedure begon met een aankondiging van DJI van een materiële controle, waarna een betaalstop werd ingesteld. ‘t Achterhuus betwistte de vordering van DJI en stelde dat zij alle benodigde informatie had aangeleverd. De voorzieningenrechter oordeelde dat er een reële kans was dat de argumenten van ‘t Achterhuus in een bodemprocedure zouden slagen. De voorzieningenrechter heeft daarbij rekening gehouden met de impact van de inhoudingen op de bedrijfsvoering van ‘t Achterhuus en het belang van de cliënten.

Uiteindelijk heeft de voorzieningenrechter beslist dat DJI vanaf de datum van het vonnis geen inhoudingen meer mag doen op de declaraties van ‘t Achterhuus, en dat de declaratie over juli 2024 als eerste ongekort moet worden voldaan. De vorderingen van ‘t Achterhuus zijn gedeeltelijk toegewezen, terwijl de kosten voor beide partijen voor eigen rekening komen. Dit vonnis is openbaar uitgesproken door mr. H.J. Vetter.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/669604 / KG ZA 24-666
Vonnis in kort geding van 5 augustus 2024
in de zaak van
Zorggroep ’t Achterhuus B.V.te Hoogeveen,
eiseres,
advocaten mrs. R.E. Tak en S. Donkelaar te Arnhem,
tegen:
de Staat der Nederlanden (meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Dienst Justitiële Inrichtingen)te Den Haag,
gedaagde,
advocaten mrs. H.J.S.M. Langbroek en D.O. Spelten te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘’t Achterhuus’ en ‘DJI’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de correspondentie over de planning van de zittingsdatum;
- de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties;
- de conclusie van antwoord met de daarbij overgelegde producties;
- de correspondentie over de spreektijd en de wijze van het voeren van verweer door DJI;
- de op 29 juli 2024 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter partijen de gelegenheid geboden die dag nog overleg met elkaar te voeren en uiterlijk de volgende ochtend te laten weten of er een vonnis moet worden gewezen. Nu beide partijen daar vervolgens om hebben verzocht, is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1. ‘
t Achterhuus is een in de regio Drenthe werkzame zorgaanbieder. Zij verzorgt intensieve begeleiding in een beschermde woonvorm voor onder meer (jong)volwassenen, die kampen met een licht verstandelijke beperking, een (complexe) psychiatrische beperking en/of psychosomatische problematiek en die, na een veroordeling voor ernstige strafbare feiten, al dan niet na een terbeschikkingstellingsmaatregel (TBS), bij ‘t Achterhuus aan hun resocialisatie werken. ‘t Achterhuus verleent deze zorg onder meer op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of op basis van een forensische titel.
2.2.
DJI, meer in het bijzonder de Divisie Forensische Zorg en Justitiële Inrichtingen (ForZoJ/JJI), is verantwoordelijk voor de inkoop, plaatsing, bekostiging en financiering van forensische zorg voor mensen met een forensische titel. In dat kader is op 1 januari 2020 tussen ‘t Achterhuus en DJI de Raamovereenkomst Forensische Zorg 2020, Perceel: Ambulante begeleiding & Verblijfszorg, hierna de raamovereenkomst, tot stand gekomen.
2.3.
Op grond van de raamovereenkomst met ‘t Achterhuus is DJI gerechtigd om een materiële controle uit te voeren, waarbij de door ‘t Achterhuus ingediende declaraties aan de hand van haar administratie worden gecontroleerd. Bij die materiële controle gaat het om de vraag of de door de zorgaanbieder gedeclareerde zorgprestaties rechtmatig en doelmatig zijn.
2.4.
In 2021 heeft ‘t Achterhuus bedragen aan forensische zorg bij DJI gedeclareerd; DJI heeft die declaraties goedgekeurd en de betreffende bedragen aan ‘t Achterhuus vergoed. Bij brief van 2 februari 2023 heeft DJI een materiële controle aangekondigd met betrekking tot de door ‘t Achterhuus gedeclareerde zorg over het boekjaar 2021. Partijen hebben naar aanleiding van door ‘t Achterhuus in dat kader aangeleverde informatie met elkaar daarover mondeling en schriftelijk gecommuniceerd.
2.5.
Op 1 september 2023 heeft DJI een betaalstop ingevoerd en sinds die datum zijn de declaraties van ‘t Achterhuus niet meer betaald. Deze betaalstop hield verband met de omstandigheid dat ‘t Achterhuus naar eigen zeggen vanwege technische problemen niet in staat was haar jaarverantwoording in het systeem van DJI te zetten. Partijen hebben vervolgens met elkaar gecommuniceerd over de aanlevering door ‘t Achterhuus van aanvullende stukken en over de mededeling van DJI dat ‘t Achterhuus niet voldoet aan een aantal eisen uit de raamovereenkomst.
2.6.
Bij brief van 17 november 2023 heeft DJI ‘t Achterhuus geïnformeerd over haar bevindingen naar aanleiding van de materiële controle over 2021 waarbij DJI zich had bediend van een zogenoemde rondrekening, bij gebreke van ontoereikende gegevens van ’t Achterhuus. DJI heeft daarbij meegedeeld dat ‘t Achterhuus onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat de gedeclareerde forensische zorg in totaliteit ook geleverd is of geleverd kon worden conform de minimale Nza-norm. Die conclusie leidt tot een terugvordering van € 626.105,08. In een bijlage bij de brief heeft DJI zijn bevindingen en de daaraan verbonden conclusie nader toegelicht.
2.7.
In een e-mailbericht van 22 november 2023 heeft DJI aan ‘t Achterhuus meegedeeld dat de betaalstop zal worden beëindigd en dat het naar aanleiding van de materiële controle teruggevorderde bedrag van € 626.105,08 zal worden verrekend in de overeengekomen rekening-courantverhouding, dan wel door Achterhuus terug zal moeten worden betaald, al dan niet door middel van een betalingsregeling. ‘t Achterhuus heeft aan DJI meegedeeld dat zij de vordering betwist en bezwaar maakt tegen de door DJI voorgestelde verrekening.
2.8.
Omdat overleg tussen partijen niet tot een oplossing heeft geleid, heeft ‘t Achterhuus een kort geding bij deze rechtbank aanhangig gemaakt. De voorzieningenrechter heeft in een vonnis van 3 januari 2024 DJI veroordeeld om de facturen van ‘t Achterhuus voor de op grond van de raamovereenkomst verleende forensische zorg over de maanden september 2023 tot en met december 2023 en de in 2024 nog te sturen facturen aan ‘t Achterhuus uit te betalen, waarbij DJI telkens maximaal 25% van elk factuurbedrag mag inhouden (wegens opschorting of verrekening, dan wel op grond van conservatoir eigenbeslag) in verband met de door DJI op ‘t Achterhuus gepretendeerde vordering van € 626.105,08. De voorzieningenrechter heeft daarnaast bepaald dat deze bevoegdheidsbeperking voor DJI geldt totdat bij rechterlijke beslissing (of bij beslissing van een andere, door partijen gezamenlijk gekozen, geschilbeslechter) de omvang van de vordering van DJI op ‘t Achterhuus is vastgesteld, dan wel in kort geding wegens gewijzigde omstandigheden anders wordt beslist.
2.9.
De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 3 januari 2024 onder meer de door ‘t Achterhuus betwiste bevindingen van DJI beoordeeld betreffende de scholing en bekwaamheid van het personeel, het ontbreken van cliëntendossiers en ook geoordeeld over andere bezwaren. De voorzieningenrechter is vervolgens tot het oordeel gekomen dat er een reële kans is dat de argumenten van ‘t Achterhuus in de bodemprocedure (grotendeels) zullen slagen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter acht geslagen op de stellingen van ‘t Achterhuus met betrekking tot het opleidingsniveau en de vakbekwaamheid van haar personeel en in aanmerking genomen dat DJI kennelijk niet alle relevante informatie uit de cliëntenrapportages en dagrapportages van ‘t Achterhuus bij de materiële controle heeft betrokken c.q. kunnen betrekken. Bij die stand van zaken en rekening houdend met de impact van de door DJI genomen maatregelen op de bedrijfsvoering van ‘t Achterhuus, heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat een volledige terugvordering (c.q. verrekening c.q. opschorting van de betaling) van de door ‘t Achterhuus met betrekking tot het boekjaar 2021 ingediende declaraties, voordat de omvang van de vordering van DJI in een bodemprocedure is vastgesteld, te ver strekkend is en dat deze daarom in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd is. Daarbij heeft meegewogen dat ‘t Achterhuus weliswaar in 2024 niet meer in zee zal gaan met DJI op basis van een nieuwe raamovereenkomst, maar wel in de zorgverlening actief blijft, zodat mocht blijken dat DJI een hogere vordering heeft aannemelijk is dat ‘t Achterhuus in de toekomst verhaal zal kunnen bieden. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat met het treffen van deze voorziening tegemoet wordt gekomen aan de financiële zorgen van ‘t Achterhuus, terwijl daarbij ook in enige mate rekening wordt gehouden met het belang van DJI bij een recht op opschorting in verband met het mogelijk bestaan van een tegenvordering.
2.10.
Partijen zijn hierna weer in overleg met elkaar getreden over hun geschil aangaande de materiële controle over 2021. DJI heeft aangegeven welke stukken zij nog van ‘t Achterhuus wil ontvangen. Op 15 april 2024 hebben partijen diverse door ‘t Achterhuus nader aangeleverde stukken doorgenomen. Op 17 april 2024 heeft ‘t Achterhuus nog stukken nagezonden.
2.11.
DJI heeft vervolgens aan ‘t Achterhuus bericht dat het door inzage in de verschillende documenten met betrekking tot de gekwalificeerdheid en bekwaamheid van de medewerkers mogelijk is om preciezer in te schatten wat de omvang van de vordering van DJI op ‘t Achterhuus is. Dit heeft geleid tot een verlaging van de terugvordering van € 626.105,08 naar € 398.773,43 (hierna: de gepretendeerde vordering).
2.12. ‘
t Achterhuus heeft hiertegen bezwaar gemaakt en zij heeft een groot aantal documenten overgelegd om haar bezwaren te onderbouwen. Nadat partijen hierover hebben gecommuniceerd en nader overleg met elkaar hebben gevoerd, heeft DJI heeft laatstelijk op 12 juli 2024 per e-mail aan ‘t Achterhuus bericht wat haar standpunt is ten aanzien van de door ’t Achterhuus geuite bezwaren. DJI concludeert in dit bericht dat zij ook het laatste deel van de terugvordering zal verrekenen.

3.Het geschil

3.1. ‘
t Achterhuus vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
DJI te gebieden om de bevoegdheidsbeperking die in het kortgedingvonnis van 3 januari 2024 aan haar is opgelegd, uit te breiden naar 100%, zodat DJI haar vermeende vordering niet meer verder kan verrekenen met huidige en toekomstige declaraties van ‘t Achterhuus en DJI te gebieden om de op basis van de bevoegdheidsbeperking ingehouden delen van de facturen over de maanden september 2023 tot en met heden binnen één week na dagtekening van dit vonnis uit te betalen;
subsidiair:
DJI te gebieden om de op basis van de bevoegdheidsbeperking ingehouden delen van de facturen over de maanden februari 2024 tot en met juni 2024 binnen één week na dagtekening van dit vonnis uit te betalen;
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van DJI in de proceskosten, zoals nader in de dagvaarding omschreven.
3.2.
Daartoe voert ‘t Achterhuus – samengevat – het volgende aan. Er is geen grondslag voor de vordering die DJI pretendeert op ‘t Achterhuus te hebben en er is dus ook geen enkele reden om 25% van de declaraties in te houden. ‘t Achterhuus heeft inmiddels alle benodigde informatie aangeleverd, waaruit de feitelijk geleverde zorg en begeleiding blijkt. DJI is dus ook niet gerechtigd haar vordering op een rondrekening te blijven baseren. Afgezien daarvan klopt de gehanteerde rondrekening op diverse onderdelen niet. Deze is gebaseerd op evident onjuiste uitgangspunten en de resultaten zijn ook feitelijk onjuist. Het is niet gerechtvaardigd om desondanks te blijven verrekenen, terwijl er inmiddels al meer dan € 250.000,- is ingehouden. ‘t Achterhuus is hierdoor in grote financiële problemen gekomen. Zij heeft al haar reserves inmiddels aangesproken. In augustus zal er een liquiditeitstekort ontstaan dat naar verwachting iedere maand verder zal oplopen. Het is met name ook voor de cliënten van ‘t Achterhuus van groot belang dat zij haar bedrijfsvoering kan voortzetten.
3.3.
DJI voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in dit kort geding moet worden beoordeeld of er aanleiding is om een ordemaatregel te treffen, vooruitlopend op de uitkomst van een bodemprocedure. Of de spoedvoorziening wordt verleend is afhankelijk van een inschatting van de uitkomst van de bodemprocedure en van een afweging van de belangen van partijen.
4.2.
In dit kort geding gaat het om de verrekeningsbevoegdheid van DJI. Die bevoegdheid heeft DJI als voldoende duidelijk is dat zij een vordering heeft op ’t Achterhuus. Over het bestaan van die vordering en de hoogte daarvan zal een bodemprocedure uitsluitsel moeten bieden.
4.3.
Partijen verschillen in dit kader op diverse onderdelen met elkaar van mening. Zo stelt ‘t Achterhuus zich – in ieder geval nu in dit kort geding – primair op het standpunt dat van een vordering van DJI op haar geen sprake kan zijn, omdat aan de hand van al de inmiddels door haar overgelegde stukken de omvang van de geleverde zorg wel degelijk kan worden vastgesteld. DJI heeft dit weersproken, stellende dat uit de door ‘t Achterhuus overgelegde dagrapportages en zorgdossiers de omvang van de werkelijk geleverde zorg niet kan worden herleid. ‘t Achterhuus stelt verder dat, als er al een reden is om een vordering vast te stellen, deze niet op een rondrekening kan worden gebaseerd. Zij wijst erop dat zij al de benodigde informatie heeft aangeleverd om vast te kunnen stellen welke zorg er is geleverd. DJI heeft dit betwist. Volgens haar ontbreekt een deugdelijke audittrail, zodat niet kan worden berekend welke zorg daadwerkelijk is verleend. Zij stelt dat zij daarom wel een rondrekening (een hypothetische benadering gebaseerd op een aantal beredeneerde uitgangspunten) moet hanteren.
4.4.
In dit kort geding, waar geen plaats is voor nader onderzoek en bewijslevering, kan niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid worden voorspeld hoe in een bodemprocedure hierover zal worden geoordeeld. Daarvoor schieten de feiten en omstandigheden die naar voren zijn gebracht en het door partijen gevoerde debat, tekort. ‘t Achterhuus heeft ter zitting de documentatie opgesomd die zij inmiddels met DJI heeft gedeeld. DJI voert daartegenover aan dat het overleggen van veel stukken nog niet betekent dat daaruit kan worden afgeleid hoeveel zorg is verleend. Uit de door ‘t Achterhuus overgelegde stukken kan dat niet voldoende worden opgemaakt, aldus DJI. Wat er dan precies ontbreekt, heeft DJI echter niet dan wel onvoldoende geconcretiseerd. Anderzijds lijkt ‘t Achterhuus voorafgaand aan dit kort geding, in het overleg dat er tussen partijen is geweest, wel te hebben erkend dat haar administratie op onderdelen niet klopte en dat er documenten ontbreken.
4.5.
Evenmin kan in dit kort geding met voldoende mate van waarschijnlijkheid worden voorspeld op welk bedrag de vordering, als daar sprake van is, zal worden vastgesteld. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de hoogte hiervan, indien bij de berekening niet van een rondrekening zou worden uitgegaan. Indien daarvan wel zou worden uitgegaan, dan verschillen partijen op diverse essentiële onderdelen met elkaar van mening over de daarbij te hanteren uitgangspunten. ‘t Achterhuus heeft onder andere toegelicht waarom zij het niet eens is met het door DJI hanteren van het minimale aantal uren in een prestatiebeschrijving, DJI ten onrechte de inzet van een aantal medewerkers buiten beschouwing laat, door DJI geen productiviteitscorrectie van 76% kan worden toegepast, DJI daarnaast niet ook nog een correctie voor verlof en ziekteverzuim kan toepassen en DJI ten onrechte geen rekening houdt met het feit dat bepaalde functies, samenhangend met het verblijf, hoe dan ook door ‘t Achterhuus zijn verleend. DJI heeft hierop – onder meer onder verwijzing naar wetgeving, beleidsregels van de Nederlandse Zorgautoriteit en analoge toepassing van een in een andere context uitgevoerd onderzoek naar productiviteit – toegelicht waarom zij meent dat al de gehanteerde uitgangspunten wel juist zijn. DJI heeft niet meer gereageerd op de door ‘t Achterhuus ter zitting nader verstrekte informatie over de bekwaamheid van de medewerkers, die door DJI buiten beschouwing worden gelaten, waarvan de impact volgens ’t Achterhuus heel groot is. Voormelde geschilpunten zijn zodanig dat in dit kort geding niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden voorspeld hoe daarover in een bodemprocedure zal worden geoordeeld.
4.6.
Indien acht wordt geslagen op al het vorenstaande en in aanmerking nemende de beperkingen van deze procedure, waarin geen plaats is voor nader onderzoek en eventuele bewijslevering, kan slechts aannemelijk worden geacht dat in een bodemprocedure zal worden vastgesteld dat DJI een vordering heeft op ’t Achterhuus en dat de gepretendeerde vordering van ruim € 398.000,- daarin nog wel neerwaarts zal worden bijgesteld.
4.7.
In het kader van de belangenafweging overweegt de voorzieningenrechter het volgende. DJI heeft inmiddels via maandelijkse verrekening in een periode van minder dan een jaar meer dan € 250.000,- bij ‘t Achterhuus geïnd (dwz. gereserveerd dan wel verrekend). Dat dit zwaar drukt op de bedrijfsvoering van ’t Achterhuus acht de voorzieningenrechter zonder meer aannemelijk. De vraag is hoe de financiële situatie van ’t Achterhuus er precies voorstaat en of het klopt dat zij de huidige situatie niet veel langer kan volhouden zonder dat de belangen van haar cliënten in gevaar komen. ‘t Achterhuus heeft ter onderbouwing daarvan kort voorafgaand aan de zitting een overzicht van haar financiële positie overgelegd met de prognose dat er vanaf augustus 2024 bij haar een negatief banksaldo zal gaan ontstaan. DJI heeft er terecht op gewezen dat hierbij geen enkel onderliggend stuk is overgelegd. Anderzijds heeft DJI niet aangegeven, ook niet voorafgaand aan dit kort geding toen ‘t Achterhuus ook al op haar financiële problemen heeft gewezen, welke stukken zij wenst te ontvangen om uit te kunnen gaan van de juistheid van het betoog van ’t Achterhuus. Dit terwijl ook DJI hierin een verantwoordelijkheid heeft, zeker nu zij ‘t Achterhuus heeft verzocht om ook in 2024 de samenwerking voort te zetten. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, heeft DJI recentelijk ook een dergelijk verzoek voor 2025 gedaan. Deze voortbestaande verbondenheid tussen partijen vergde van DJI een mate van zorgvuldigheid waarvan in de overgelegde correspondentie in het afgelopen half jaar onvoldoende te zien is.
4.8.
De voortzetting van de samenwerking tussen partijen kan overigens worden beschouwd als een wijziging van omstandigheden ten opzichte van het vorige kort geding (naast ook de zeer substantiële verlaging van de vordering door DJI en het tijdsverloop). Door deze wijziging van omstandigheden is het nog aannemelijker dan voorheen dat ‘t Achterhuus in de toekomst verhaal zal bieden voor de gepretendeerde vordering en is verhaal nemen ook eenvoudiger te bewerkstelligen.
4.9.
Voor zover DJI heeft gewezen op haar voorafgaand aan de zitting gedane aanbod om een betalingsregeling te treffen, overweegt de voorzieningenrechter dat hij ‘t Achterhuus volgt in haar standpunt dat de redelijkheid van de door DJI daarvoor gestelde voorwaarden moeilijk valt in te zien. Het gaat dan met name om de voorwaarde dat ‘t Achterhuus dan akkoord moet gaan met de eindconclusies en het bedrag van terugvordering op grond van de materiële controle van DJI. Niet valt in te zien waarom ‘t Achterhuus het recht zou moeten worden ontnomen om het geschil aan een bodemrechter (of een andere, door partijen gezamenlijk gekozen, geschilbeslechter) voor te leggen. De omstandigheid dat ‘t Achterhuus niet is ingegaan op het aanbod om een betalingsregeling te treffen, acht de voorzieningenrechter dan ook niet redengevend om aan te nemen dat er aan haar zijde geen sprake is van een spoedeisend belang.
4.10.
Al het voorgaande in aanmerking nemende, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze zaak noopt tot het treffen van een spoedvoorziening. De voorzieningenrechter acht aannemelijk geworden dat ‘t Achterhuus in financiële problemen is gekomen door de maandelijkse forse inhoudingen op haar facturen en dat er een reëel risico bestaat dat zij de zorg niet meer op de gebruikelijke wijze zal kunnen verlenen indien deze inhoudingen de komende periode worden voortgezet. Het door DJI tijdens de zitting terloops gedane beroep op aanzienlijke vorderingen van de vennootschap ’t Achterhuus op haar bestuurders is niet onderbouwd en kan dan ook geen gewicht in de schaal leggen. Daar komt bij dat het nog maar de vraag is of de vordering op een veel hoger bedrag zal worden vastgesteld dat thans al door DJI is ingehouden. Nu uit het financiële overzicht blijkt van een prognose dat ’t Achterhuus vanaf augustus 2024 een negatief banksaldo zal hebben, zal de voorzieningenrechter bepalen dat er vanaf de datum van dit vonnis geen inhoudingen op door haar verschuldigde betalingen meer mogen worden verricht. Dat betekent dat de declaratie over de maand juli 2024 als eerste, na de gebruikelijke goedkeuring, ongekort zal dienen te worden voldaan. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat ‘t Achterhuus met de inkomsten die zij genereert haar financiële positie de komende tijd weer zal kunnen verbeteren en ziet daarom onvoldoende aanleiding om een voorziening te treffen met terugwerkende kracht. Daarbij is ook acht geslagen op de belangen van DJI die, naar moet worden aangenomen, per saldo wel een vordering van een serieuze omvang heeft op ’t Achterhuus. Zij is dus ook verrekeningsbevoegd, maar heeft voor het eventuele restant van haar vordering voldoende zekerheid dat deze door ‘t Achterhuus zal kunnen worden voldaan nadat deze in een bodemprocedure is vastgesteld.
4.11.
De voorzieningenrechter zal daarom het eerste deel van de primaire vordering van ’t Achterhuus toewijzen op de wijze zoals hierna vermeld. De vorderingen worden afgewezen voor zover deze zien op het door DJI alsnog uitbetalen van facturen uit het verleden.
4.12.
De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanleiding om de beslissing te versterken met een dwangsom. Hij gaat ervan uit dat DJI dit vonnis zal naleven en dat partijen zich nu gezamenlijk zullen inzetten om hun geschil zo spoedig mogelijk ten gronde te (laten) beslechten, nu dit in hun beider belang is.
4.13.
Partijen zijn over en weer in het (on)gelijk gesteld. Daarom zal worden bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verbiedt DJI voor haar gepretendeerde vordering over 2021 op ‘t Achterhuus vanaf heden nog inhoudingen c.q. verrekeningen te doen met declaraties van ’t Achterhuus over de maand juli 2024 en nadien;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2024.
ts