Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer] ,
Inleiding
Overwegingen
Verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM of humanitaire gronden
Rechtbank Den Haag
Eiser, een minderjarige asielzoeker uit Irak, diende op 1 oktober 2019 een asielaanvraag in die door verweerder op 28 februari 2024 werd afgewezen als ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep tegen dit besluit op 13 juni 2024. Eerder had de Afdeling bestuursrechtspraak het eerdere vonnis vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen over een verblijfsvergunning regulier volgens het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Verweerder stelde dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning omdat hij onvoldoende meewerkte aan het onderzoek naar adequate opvang in Irak en inmiddels meerderjarig is. Eiser voerde aan dat het onderzoek niet voortvarend was en dat hij risico loopt op ernstige schade bij terugkeer, onder meer vanwege zijn Soennitische achtergrond en persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat het onderzoek naar adequate opvang tijdens de minderjarigheid van eiser voortvarend is uitgevoerd. Het onderzoek lag ongeveer tien maanden stil zonder adequate motivering. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom het onderzoek vertraagd was. Daarom is het bestreden besluit in strijd met de zorgvuldigheids- en motiveringsvereisten van de Algemene wet bestuursrecht en wordt het vernietigd.
De rechtbank draagt verweerder op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van €1.750 aan proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende voortvarendheid in het onderzoek naar adequate opvang tijdens minderjarigheid; verweerder moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen.