De moeder heeft een verzoek ingediend tot vervallen verklaring van een schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling, betreffende een uitbreiding van de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. Dit verzoek heeft zij later ingetrokken en in plaats daarvan gevraagd om de gecertificeerde instelling te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank stelt vast dat de schriftelijke aanwijzing op 9 april 2024 is gegeven en feitelijk op 25 april 2024 is ingetrokken, kort na het verstrijken van de beroepstermijn van twee weken. De moeder betoogt dat zij onnodig juridische kosten heeft moeten maken doordat de gecertificeerde instelling de intrekking niet tijdig heeft doorgevoerd.
De rechtbank oordeelt dat het niet verwijtbaar is aan de gecertificeerde instelling dat de intrekking na de beroepstermijn plaatsvond, mede omdat het voor alle betrokkenen duidelijk was dat de aanwijzing zou worden aangepast. De rechtbank volgt het uitgangspunt dat in familie- en jeugdzaken partijen ieder hun eigen proceskosten dragen, tenzij sprake is van onnodig veroorzaakte kosten, wat hier niet het geval is.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot proceskostenveroordeling af. De beschikking is gegeven door kinderrechter M.P. Meeuwisse op 12 juli 2024.