ECLI:NL:RBDHA:2024:11813
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op betaling private schulden op grond van Wet hersteloperatie toeslagen
Eiseres, als gedupeerde ouder in de toeslagenaffaire, verzocht de minister van Financiën om betaling van haar private schulden bij een bedrijf en een bankinstelling op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen weigerde dit, omdat de schulden niet voldeden aan de voorwaarden van de Wht, met name de eis dat schulden vóór 1 juni 2021 opeisbaar moesten zijn.
De rechtbank oordeelde dat de schulden bij het bedrijf niet voldeden aan de opeisbaarheidsvoorwaarde, omdat de oudste vordering pas na 1 juni 2021 was ontstaan. Ook de schulden bij de bankinstelling voldeden niet, omdat niet was gebleken dat er vóór 1 juni 2021 achterstallige betalingen waren of dat de hoofdsom opeisbaar was gesteld. De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat de regeling niet bedoeld is om gedupeerden volledig vrij te stellen van betalingsverplichtingen, maar om hen een nieuwe start te bieden zonder incassomaatregelen.
De rechtbank overwoog verder dat de hardheidsclausule van artikel 9.1 Wht niet van toepassing was, omdat eiseres geen bijzondere, niet door de wetgever voorziene schrijnende omstandigheden had aangetoond. Ook werden geen schendingen van het motiverings-, zorgvuldigheids- of vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering tot betaling van haar private schulden wordt ongegrond verklaard.