Uitspraak
Rechtbank den haag
1.[naam 1] te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente] ,
[Bedrijfsnaam, sub 2] B.V.te ’s-Hertogenbosch,
Rechtbank Den Haag
In deze zaak stond een geschil tussen een mondhygiëniste en haar dochter centraal, die werkzaam was in de mondzorg zonder de vereiste diploma's. Eiseressen vorderden aanvankelijk dat gedaagde geen niet-voorbehouden handelingen zou verrichten, maar trokken deze vordering in tijdens de zitting nadat gedaagde had toegelicht dat zij zich niet als mondhygiëniste voordeed en geen zelfstandige declaraties indiende.
Gedaagde vorderde vervolgens in reconventie een verbod voor eiseressen om onjuiste en misleidende informatie te verspreiden die haar reputatie schaadt, met name over vermeende overtredingen van de Wet BIG. De rechtbank oordeelde dat de brief van eiseressen aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de werkgevers van gedaagde onrechtmatig was, omdat deze onvoldoende feitelijke steun vond en grote gevolgen had voor gedaagde.
De voorzieningenrechter legde een verbod op aan eiseressen om in de toekomst vergelijkbare uitingen te doen, onder dreiging van een dwangsom. Tevens werden eiseressen veroordeeld tot betaling van proceskosten in zowel conventie als reconventie, omdat het kort geding nodeloos was aangespannen en de onrechtmatige uitingen schade hadden veroorzaakt.
De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldigheid bij het doen van beschuldigingen en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en goede naam van betrokkenen in het kader van mondzorgpraktijken.
Uitkomst: Eiseressen worden verboden onjuiste informatie over gedaagde te verspreiden en veroordeeld tot betaling van proceskosten.