De rechtbank Den Haag behandelde op 25 juli 2024 de strafzaak tegen een verdachte geboren in 2006, die onder meer werd verdacht van poging tot doodslag, diefstal met geweld en mishandeling. De zaak betrof drie dagvaardingen. De rechtbank verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte voor de diefstal met geweld, omdat het OM de medeverdachte niet vervolgde terwijl sprake was van een gelijksoortige rol, wat het gelijkheidsbeginsel schond.
Voor de overige feiten, namelijk poging tot doodslag op 29 augustus 2022 door het slachtoffer met een mes in het gezicht te steken, en mishandeling van een medegedetineerde in mei 2023, verklaarde de rechtbank de verdachte wettig en overtuigend schuldig. De rechtbank oordeelde dat het handelen van de verdachte op voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer was gericht.
De verdachte werd verminderd toerekeningsvatbaar verklaard vanwege een normoverschrijdende gedragsstoornis en licht verstandelijke beperking. Gezien zijn verblijf in een justitiële jeugdinrichting en de lopende onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, beperkte de rechtbank de opgelegde jeugddetentie tot de 17 dagen voorarrest die de verdachte had doorgebracht. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de niet-ontvankelijkheid van het OM in de diefstalzaak.