De zaak betreft een executiegeschil over de uitvoerbaarheid bij voorraad van een vonnis van de kantonrechter dat de huurovereenkomst tussen eiser en gedaagde ontbindt en eiser veroordeelt tot ontruiming van een woning. Eiser woont sinds 1998 in de woning en stelt dat hij toestemming had voor onderhuur, wat de kantonrechter heeft verworpen vanwege onvoldoende bewijs en wisselende getuigenverklaringen.
Eiser vordert schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis, stellende dat het vonnis berust op een kennelijke misslag en dat zijn belangen bij het afwachten van het hoger beroep zwaarder wegen dan het belang van gedaagde bij ontruiming. Gedaagde wil de ontruiming effectueren om de woning tegen een hogere huurprijs te verhuren.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de belangenafweging in dit kort geding in het voordeel van eiser uitvalt. Gelet op zijn leeftijd, werkloosheid en de krappe woningmarkt is het aannemelijk dat vervangende woonruimte niet direct beschikbaar is. Hoewel gedaagde belang heeft bij ontruiming, weegt dit minder zwaar dan het woonrecht van eiser. Daarom wordt de executie geschorst tot het hoger beroep is beslist, onder de voorwaarde dat eiser de huurachterstand inhaalt en de huur tijdig betaalt.
De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd. De schorsing vervalt indien eiser niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet. Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot en op 19 juli 2024 in het openbaar uitgesproken.