ECLI:NL:RBDHA:2024:11424
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens rechtmatig verblijf in Nederland en toekenning schadevergoeding
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring die de minister op 10 juli 2024 had opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank stelde ambtshalve de juistheid van de wettelijke grondslag aan de orde en verwees naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 maart 2024.
Partijen waren het erover eens dat de maatregel van bewaring op een onjuiste grondslag was gebaseerd, omdat eiser rechtmatig verblijf in Nederland had. Dit volgde uit het feit dat Nederland verantwoordelijk was geworden voor de asielaanvraag nadat de overdrachtstermijn was verstreken, waardoor de asielaanvraag weer openviel zonder dat daarop een beslissing was genomen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beval de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 22 juli 2024. Tevens kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €1.300,- voor 13 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €1.750,- aan de rechtsbijstandverlener van eiser. De uitspraak werd mondeling gedaan op 22 juli 2024.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de bewaring wordt opgeheven en eiser ontvangt een schadevergoeding van €1.300,- plus proceskostenvergoeding van €1.750,-.