ECLI:NL:RBDHA:2024:11409

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2024
Publicatiedatum
22 juli 2024
Zaaknummer
20/2627
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV dat hij vanaf 25 november 2019 weer arbeidsgeschikt zou zijn. Na een langdurige procedure, waarbij twee deskundigenrapporten zijn ingewonnen, heeft het UWV uiteindelijk op 22 mei 2024 het bezwaar alsnog gegrond verklaard en vastgesteld dat eiser doorlopend ongeschikt is gebleven.

Eiser heeft daarop het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van proceskosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank heeft vastgesteld dat de bezwaar- en beroepsfase samen meer dan vier jaar hebben geduurd, terwijl de redelijke termijn maximaal twee jaar bedraagt.

De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 875,-, en de Staat der Nederlanden tot een schadevergoeding van € 3.000,- wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Tevens worden de proceskosten van € 437,50 en het griffierecht van € 48,- aan eiser vergoed.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en de Staat tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/2627 ZW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2024 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. E. van den Bogaard),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),verweerder
(gemachtigde: mr. D. Spiering-Kalay).

Procesverloop

Bij het besluit van 21 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij vanaf 25 november 2019 weer arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werk.
Bij het besluit van 26 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om psychiater dr. J.A. Bouwens als deskundige te benoemen. De rechtbank heeft het deskundigenrapport op 28 juni 2022 ontvangen. Zowel verweerder als eiser hebben hierop gereageerd.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om psychiater dr. C.C. Kan als deskundige te benoemen. De rechtbank heeft het deskundigenrapport op 15 april 2024 ontvangen. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 22 mei 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, daarbij alsnog het bezwaar van eiser gegrond verklaard en bepaald dat eiser vanaf 25 november 2019 doorlopend ongeschikt is gebleven voor zijn arbeid.
Eiser heeft daarop het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Eiser heeft tevens verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Verweerder heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een veroordeling in de proceskosten, mits die conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
proceskostenvergoeding
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a Awb.
3. Eiser heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder aan hem is tegemoet gekomen, als hiervoor bedoeld. De rechtbank zal daarom het verzoek om proceskostenveroordeling toewijzen.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag van het eerste deskundigenonderzoek en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag van het tweede deskundigenonderzoek met een wegingsfactor van 1).
Overschrijding redelijke termijn
5. Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden.
6. De redelijke termijn is aangevangen op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder, 1 december 2019. Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn 4 jaar en ruim 6 maanden verstreken.
7. Dat betekent dat de termijn, afgerond naar boven, met 3 jaar is overschreden. De behandeling van het bezwaar heeft minder dan een half jaar geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de beroepsfase is overschreden. De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eiser aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen.
8. Uitgaande van een vergoeding van € 500,- per half jaar komt de rechtbank tot een vergoeding van € 3.000,-. De rechtbank draagt de Staat op deze kosten aan eiser te vergoeden. De Staat dient ook de door eiser gemaakte proceskosten in verband met het verzoek te vergoeden. Deze worden op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek en een wegingsfactor 0,5).
Griffierecht
9. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door eiser betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 875,-;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade aan eiser tot een bedrag van € 3.000,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.