ECLI:NL:RBDHA:2024:11295

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juli 2024
Publicatiedatum
19 juli 2024
Zaaknummer
NL24.8413
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 AwbArt. 2u Vreemdelingenwet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling dwangsom wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis

Eisers hebben op 17 juli 2023 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van 90 dagen zonder besluit, hebben eisers de minister op 14 februari 2024 in gebreke gesteld en vervolgens op 1 maart 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

De minister heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.

Daarnaast stelt de rechtbank de reeds verbeurde dwangsom vast op €1.442 en veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers ter hoogte van €437,50. Het verzoek tot vrijstelling van griffierecht wordt toegewezen. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars zonder zitting, conform artikel 8:54 Awb Pro.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt de minister binnen acht weken alsnog een besluit te nemen met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8413

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
v-nummer: [nummer],
mede namens haar kinderen:

[naam],

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
v-nummer: [nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
v-nummer: [nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
v-nummer: [nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
v-nummer: [nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
v-nummer: [nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
v-nummer: [nummer],
gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister.

Inleiding

Eisers hebben op 17 juli 2023 een aanvraag ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] (referent) in het kader van nareis.
Bij brief van 14 februari 2024 hebben eisers de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun aanvraag.
Eisers hebben vervolgens op 1 maart 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De minister heeft geen verweerschrift ingediend.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3. Eisers hebben de aanvraag ingediend op 17 juli 2023. De minister moet binnen 90 dagen beslissen op de aanvraag. Dat staat in artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. De minister heeft eisers meegedeeld dat zij de beslissing binnen zes maanden kunnen verwachten, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken, dat eisers de minister rechtsgeldig in gebreke hebben gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.
4. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. De minister heeft geen verweerschrift ingediend en heeft dan ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht. Uit de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020 volgt dat bij het bepalen van de lengte van de nadere termijn de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. De rechter mag geen termijn stellen waarvan op voorhand vaststaat dat het bestuursorgaan die niet kan halen zonder onzorgvuldig te werk te gaan. De rechtbank is bekend met de grote achterstanden bij het beslissen op nareisaanvragen en bezwaarschriften in nareisprocedures bij de minister. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend dient te maken op de aanvraag van eisers.
5. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
6. Op verzoek stelt de rechtbank de hoogte vast van de bestuurlijke dwangsom die de minister op grond van afdeling 4.1.3 van de Awb verschuldigd is. Eisers hebben verzocht deze dwangsom vast te stellen. Omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken na de dag als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb, stelt de rechtbank de verbeurde dwangsom vast op
€ 1.442,-.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
- stelt de door de minister te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.