Eiser, een Oekraïense vreemdeling, werd op 30 mei 2024 bij aankomst in Nederland in bewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid van de Vreemdelingenwet 2000. Hoewel eiser onder de Richtlijn tijdelijke Bescherming zou kunnen vallen, was het volgens de rechtbank gerechtvaardigd dat verweerder eerst onderzoek deed naar zijn status voordat de maatregel werd opgeheven.
De vrijheidsontnemende maatregel werd op 3 juni 2024 opgeheven nadat verweerder had vastgesteld dat eiser onder de Richtlijn viel. Eiser stelde beroep in tegen de maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatigheid van de bewaring.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel rechtmatig was opgelegd omdat eiser door het indienen van een asielverzoek aangaf langer te willen verblijven dan de toegestane 90 dagen volgens de Schengengrenscode. Verweerder had voldoende tijd genomen om de situatie te onderzoeken en handelde voortvarend door de maatregel snel op te heffen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.