ECLI:NL:RBDHA:2024:1077
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen ongegrondverklaring asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Opposant heeft een asielaanvraag ingediend die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep van opposant op 9 november 2023 ongegrond verklaard zonder zitting, met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro, omdat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond.
Tegen deze uitspraak heeft opposant verzet ingesteld, onder meer met een zwangerschapsverklaring van zijn partner die na de uitspraak dateert. Opposant stelde dat deze nieuwe informatie aanleiding zou moeten zijn voor een heroverweging, mede gelet op het belang van het ongeboren kind zoals erkend door het Hof van Justitie.
De rechtbank oordeelt echter dat het verzet ongegrond is. De zwangerschap was ten tijde van de uitspraak niet bekend en opposant had dit tijdig kunnen melden. De rechtbank bevestigt dat de Dublinverordening niet bedoeld is als route voor regulier verblijf bij een gezinslid in Nederland en dat de discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris terecht is toegepast. Er is geen aanleiding om het eerdere oordeel te herzien.
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en handhaaft de eerdere uitspraak. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet tegen de uitspraak van 9 november 2023 wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag blijft niet in behandeling genomen.