ECLI:NL:RBDHA:2024:1072

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2024
Publicatiedatum
31 januari 2024
Zaaknummer
SGR 23/6573
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij AOW-pensioenverlaging wegens ontbreken spoedeisend belang

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank waarin zijn AOW-pensioen werd vastgesteld op de gehuwdennorm vanwege zijn huwelijk in 2021. Na afwijzing van het bezwaar heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd om het besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld en geoordeeld dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Dit omdat verzoeker niet heeft onderbouwd dat hij in een acute financiële noodsituatie verkeert. Bovendien ontvangt verzoeker een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) die zijn inkomen aanvult tot de bijstandsnorm.

De voorzieningenrechter benadrukt dat bij financiële geschillen doorgaans geen voorlopige voorziening wordt getroffen, tenzij er sprake is van onomkeerbare situaties of acute nood. Het verzoek is daarom afgewezen en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6573

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 januari 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. I. Car),
en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers).

Procesverloop

In het besluit van 2 maart 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat verzoeker vanaf december 2021 recht heeft op een pensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW) naar de gehuwdennorm, omdat hij op [dag] 2021 is getrouwd.
In het besluit van 4 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat alleen al daarom geen voorlopige voorziening wordt getroffen.
3. Verzoeker voert aan dat hij door de verlaging van zijn AOW-pensioen niet meer in de noodzakelijke bestaanskosten kan voorzien. Bewijsstukken voor deze stelling is niet overgelegd. Op 4 december 2023 heeft de voorzieningenrechter verzoeker daarom verzocht om te onderbouwen welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereisen. Hierbij is uitdrukkelijk gevraagd of verzoeker kan aangeven of hij al een bijstandsaanvraag heeft gedaan en, zo nee, waarom niet. In reactie daarop heeft verzoeker aangegeven dat hij afhankelijk is van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op zijn AOW-pensioen.
4. Verweerder heeft aangegeven dat in het verzoekschrift niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een spoedeisend financieel belang. De enkele stelling dat er sprake is van een spoedeisend financieel belang is daarvoor onvoldoende.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker in het geheel niet heeft onderbouwd dat er sprake is van een acute noodsituatie. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat verzoeker een AIO-aanvulling ontvangt waarmee zijn inkomen wordt aangevuld tot de voor hem geldende bijstandsnorm.
6. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.