ECLI:NL:RBDHA:2024:10624
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Duitsland
Eiser, met de Soedanese nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De staatssecretaris baseerde dit op het Dublinverdrag, waarbij Duitsland verantwoordelijk wordt gehouden voor de behandeling van de asielaanvraag.
Eiser stelt dat hij in Duitsland slachtoffer zal worden van indirect refoulement en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is. Hij voert aan dat de Duitse autoriteiten zijn eerdere asielaanvraag niet eerlijk zullen behandelen. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat lidstaten van de EU hun verdragsverplichtingen nakomen, tenzij eiser aannemelijk maakt dat er ernstige tekortkomingen zijn die leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd van dergelijke tekortkomingen. Zijn vermoeden van zinloosheid van een herhaalde aanvraag is niet onderbouwd met concrete feiten of persoonlijke stukken. Ook heeft eiser nagelaten om klachten in Duitsland in te dienen over een vermeende onrechtmatige behandeling.
De claim dat indirect refoulement zal plaatsvinden wordt verworpen, mede gelet op een recente uitspraak van de hoogste bestuursrechter die stelt dat indirect refoulement niet getoetst mag worden zonder vaststelling van systeemfouten in de lidstaat. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.