ECLI:NL:RBDHA:2024:10566
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid en kennelijk ongegrondheid
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende asielzoeker, vreesde vervolging wegens toegedicht Gülenisme en activiteiten op sociale media. Hij diende een asielaanvraag in die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 5 maart 2024.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij vanwege toegedicht Gülenisme of zijn sociale media activiteiten vervolgd zou worden. De overgelegde documenten duidden op strafrechtelijke vervolging wegens andere delicten dan Gülenisme. Ook waren de verklaringen van eiser tegenstrijdig en onvoldoende onderbouwd, mede gelet op zijn concentratieproblemen. De rechtbank vond dat verweerder terecht het voordeel van de twijfel niet had toegekend.
Verder bleek uit het dossier dat eiser tijdens zijn verblijf in Italië geen asiel had aangevraagd, wat de rechtbank niet onredelijk vond in het licht van de omstandigheden aldaar. De aanvraag werd daarom terecht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag af en verklaart het verzoek om voorlopige voorziening ongegrond.