ECLI:NL:RBDHA:2024:10565
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vrees voor vervolging in Turkije
Eiser, van Turkse nationaliteit en Koerdische afkomst, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege vrees voor vervolging wegens zijn politieke activiteiten voor de HDP en zijn etniciteit. Verweerder wees de aanvraag af omdat de geloofwaardigheid van de onterechte beschuldiging van fraude onvoldoende was aangetoond en er geen reëel risico bestond op ernstige schade bij terugkeer.
De rechtbank behandelde het beroep en concludeerde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onterecht wordt vervolgd voor fraude, noch dat zijn politieke activiteiten en Koerdische achtergrond leiden tot een reëel risico op vervolging. De rechtbank nam mee dat eiser slechts werknemer was, dat een van de werkgevers al veroordeeld is, en dat er geen bewijs is van strafrechtelijke vervolging wegens politieke activiteiten.
Verder oordeelde de rechtbank dat de ervaren discriminatie niet zo ernstig is dat het leven in Turkije onhoudbaar is geworden. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat het Turkse strafrechtssysteem hem onevenredig zou bestraffen. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht de asielaanvraag ongegrond heeft verklaard.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter M.D. Gunster op 19 maart 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.