ECLI:NL:RBDHA:2024:10346
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing verblijfsvergunning medische behandeling
Verzoeker diende op 22 maart 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor medische behandeling, welke op 17 april 2024 door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Tevens werd geoordeeld dat verzoeker geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 toekomt. Verzoeker stelde bezwaar in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoeker momenteel in een hotel verblijft met opvang tot 6 juni 2024 en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daarna geen opvang kan regelen. Medisch advies gaf aan dat verzoeker astma heeft en bekend is met chronisch alcoholmisbruik, waarvoor hij niet onder behandeling is. De rechter vond onvoldoende onderbouwing dat zonder voorlopige voorziening een medische noodsituatie in Nederland zou ontstaan.
Daarom werd het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan zonder mondelinge behandeling en is onherroepelijk omdat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.