ECLI:NL:RBDHA:2024:1023

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2024
Publicatiedatum
30 januari 2024
Zaaknummer
NL23.32187
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:81 AwbBesluit Proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting na intrekking verblijfsvergunning

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken, een terugkeerbesluit te nemen en een inreisverbod van tien jaar uit te vaardigen. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die de uitzetting opschort totdat op het bezwaar is beslist en de beroepstermijn is verstreken.

De staatssecretaris heeft geen verzet aangetekend tegen het verzoek voor zover het ziet op het niet uitzetten van verzoeker totdat een beslissing op het bezwaar is genomen. De voorzieningenrechter heeft de zaak buiten zitting afgedaan en het verzoek toegewezen, omdat er sprake is van onmiddellijke spoed en geen beletselen voor toewijzing.

Daarnaast is de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875,-. De uitzetting blijft achterwege tot vier weken na de beslissing op het bezwaar. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting wordt opgeschort tot vier weken na beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.32187

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , verzoeker,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.

Inleiding

1. Met het besluit van 20 juni 2023 heeft de staatssecretaris de aan verzoeker verleende reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken vanaf 9 december 2013, een terugkeerbesluit genomen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van
tien jaar.
1.1.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij verzoekschrift van 10 oktober 2023 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat de staatssecretaris zal worden verboden om verzoeker uit te zetten totdat er op het bezwaarschrift zal zijn beslist en de beroepstermijn tegen die beslissing zal zijn verstreken.
1.2.
Bij brief van 18 januari 2024 heeft de staatssecretaris de rechtbank bericht zich niet te verzetten ten aanzien van hetgeen is verzocht, voor zover dit ziet op het niet uitzetten totdat er een beslissing is genomen op het bezwaarschrift.
1.3.
Het verzoek zou op 24 januari 2024 op zitting worden behandeld. Partijen hebben de voorzieningenrechter op voorhand toestemming gegeven om op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaak buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft daarna het onderzoek op 23 januari 2024 gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Wanneer tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen als verzoeker daarom vraagt. Dit kan alleen als er sprake is van onmiddellijke spoed. Dit betekent dat de beslissing op het bezwaar absoluut niet kan worden afgewacht. Om dit te beoordelen moet de voorzieningenrechter de belangen van verzoeker afwegen tegen de belangen van de staatssecretaris. Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
3. Nu de staatssecretaris zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om deze toe te wijzen, zal worden beslist als hierna aangegeven.
4. Er bestaat aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de kosten van deze procedure. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit Proceskosten bestuursrecht voor de door de derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1). Omdat verzoeker is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen, hoeft de staatssecretaris dit niet te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- treft de voorlopige voorziening dat de uitzetting van verzoeker achterwege blijft tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 875,- aan proceskosten van verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.