ECLI:NL:RBDHA:2024:10227

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2024
Publicatiedatum
3 juli 2024
Zaaknummer
AWB 23/4651
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 84 Vw
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familierechtelijke relatie en twijfel terugkeer

Eiser diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf, welke door de minister werd afgewezen omdat eiser het doel en de omstandigheden van het verblijf niet aannemelijk had gemaakt. De minister stelde dat eiser zijn familierechtelijke relatie met de referent onvoldoende had onderbouwd en dat er redelijke twijfel bestond over zijn voornemen om Nederland tijdig te verlaten.

Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij in de bezwaarfase had moeten worden gehoord, omdat de motivering van het primaire besluit summier was. De rechtbank oordeelde echter dat de minister terecht van horen in bezwaar mocht afzien, omdat de bezwaren niet konden leiden tot een ander besluit en eiser geen nieuwe concrete informatie had aangevoerd.

De rechtbank concludeerde dat de door eiser overgelegde documenten onvoldoende waren om de familierechtelijke relatie aan te tonen en dat het ontbreken van een vliegreisreservering en de lange duur van de reisverzekering de twijfel over het verblijfsdoel versterkten. De afwijzing van de aanvraag was daarmee terecht en het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/4651

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2024 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1987, van Marokkaanse nationaliteit, eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.N. Noordzee),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister,

(gemachtigde: K. Kanters).

Procesverloop

Eiser heeft op 7 juni 2022 een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf bij
[referent] (de referent).
Bij besluit van 21 juni 2022 (het primaire besluit) heeft de minister deze aanvraag
afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar.
Bij besluit van 14 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Het beroep van eiser is mede gericht tegen dit besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2024. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigden.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser het beroep ingetrokken, voor zover dit was gericht tegen het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar.

Overwegingen

1. De minister baseert de afwijzing van de aanvraag op twee gronden:
(1) Eiser heeft het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf niet
aannemelijk gemaakt. Hiertoe voert de minister aan dat eiser zijn familierechtelijke relatie met de opgegeven referent niet aannemelijk heeft gemaakt aan de hand van objectieve bewijsmiddelen. Het opgegeven verblijfsdoel familiebezoek en de verblijfsomstandigheden zijn daarmee niet aangetoond.
(2) Er bestaat redelijke twijfel over het voornemen van eiser om Nederland (en de lidstaten
van de Europese Unie) vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum te verlaten. Hiertoe voert de minister aan dat eiser niet heeft aangetoond dat zijn sociale en economische binding met Marokko van dien aard is, dat zijn tijdige terugkeer naar dat land is gewaarborgd.
2. Eiser voert in beroep aan dat de minister er niet van heeft mogen afzien om hem in de bezwaarfase te horen. Omdat het primaire besluit summier was gemotiveerd en de minister pas bij het bestreden besluit een nadere motivering van de afwijzing heeft gegeven, kan eiser deze motivering nog slechts in de beroepsfase betwisten. Eiser meent dat hij in bezwaar voldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen om de twijfel bij de minister weg te nemen, dan wel om onduidelijkheden op te helderen. Hiertoe had de minister hem dus in de gelegenheid moeten stellen om te worden gehoord. Van een kennelijk ongegrond bezwaar was derhalve geen sprake, aldus eiser.
3. De beroepsgrond treft geen doel. In beginsel mag de minister slechts van horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit dan het primaire besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en wat eiser daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan die maatstaf voldaan. In het primaire besluit is afdoende inzichtelijk omschreven wat de afwijzingsgronden zijn geweest, met name dat het doel en de omstandigheden van het beoogde verblijf van eiser onvoldoende waren aangetoond. Eiser heeft op deze afwijzingsgronden kunnen reageren door een vragenlijst in te vullen, documenten in te brengen en bezwaargronden aan te dragen. Van deze gelegenheid heeft hij gebruik gemaakt. Hij heeft daarmee evenwel zijn familierechtelijke relatie met de referent en het doel van zijn beoogde verblijf in Nederland niet aangetoond. Hij heeft in de bezwaarfase niet verzocht om gehoord te mogen worden op deze specifieke aspecten. Ook heeft hij nadien niet inzichtelijk gemaakt wat hij tijdens een gehoor in de bezwaarfase anders of méér had kunnen vertellen dan hetgeen hij schriftelijk al had verklaard en overgelegd.
4. De minister stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat eiser zijn familierechtelijke relatie met de referent onvoldoende heeft aangetoond. Uit het samenstel van de door eiser overgelegde ‘Attestation de lien de parente’ en de geboorteaktes van hemzelf, zijn moeder en de referent, kan niet worden afgeleid dat de moeder van eiser de zus is van de referent (en dus niet dat de referent de oom is van eiser). In bezwaar heeft eiser geen andere bewijsstukken ingebracht aan de hand waarvan hij de familierechtelijke relatie met de referent kon onderbouwen. Verder heeft de minister mogen aanvoeren dat eiser bij zijn aanvraag en in bezwaar geen vliegreservering heeft overgelegd. Door dit niet te doen, heeft eiser nagelaten om aan te tonen wanneer hij naar Nederland wil komen en voor welke datum hij zijn terugreis naar Marokko heeft gepland. Eiser heeft slechts een reisverzekering getoond. Opmerkelijk daarvan is dat deze is afgesloten voor de duur van zes maanden. Dat is aanmerkelijk langer dan de periode van zijn voorgenomen verblijf in Nederland. Op basis van dit alles heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk een kort verblijf in Nederland beoogd.
5. De in rechtsoverweging 1 onder (1) genoemde grond is aldus afdoende gemotiveerd en kan aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag worden gelegd. Deze afwijzingsgrond kan het bestreden besluit al dragen. De minister heeft de aanvraag al hierom mogen weigeren. Om die reden behoeven de geschilpunten over de afwijzingsgrond onder (2) geen bespreking meer.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2024.
De griffier is verhinderd
om de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Op grond van artikel 84, onder b, van de Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.