ECLI:NL:RBDHA:2024:10147
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep visumaanvraag
Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun bezwaarschrift tegen de afwijzing van een visumaanvraag voor kort verblijf. Vervolgens hebben zij de beroepen ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank beoordeelt dit verzoek op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank stelt vast dat de verzoekers werden bijgestaan door een familielid, namelijk een zoon en broer, die volgens artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) niet als gemachtigde wordt erkend voor een proceskostenveroordeling. Dit betekent dat een proceskostenveroordeling niet kan worden uitgesproken ten gunste van verzoekers.
Hoewel verweerder niet tijdig heeft beslist en later alsnog een besluit heeft genomen, verandert dit niets aan het feit dat een familielid geen gemachtigde is in de zin van het Bpb. Wel wijst de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht te vergoeden conform artikel 8:41, zevende lid, van de Awb. Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen, maar de griffierechten worden door verweerder vergoed.