ECLI:NL:RBDHA:2023:9940
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- A.M.H. van der Poort – Schoenmakers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsdocument EU/EER wegens onvoldoende aantonen ten laste komen en onvoldoende middelen van bestaan
Eiser, een Marokkaanse staatsburger, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER om bij zijn zus, een Spaanse Unieburger, in Nederland te verblijven. De aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij ten laste kwam van zijn zus, zoals vereist volgens artikel 8.7 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Hoewel de financiële bijdrage van de zus reëel was, ontbrak het bewijs dat deze noodzakelijk was, mede omdat eiser zelf een werkloosheidsuitkering in Spanje ontving.
Eiser voerde aan dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld en dat bijzondere omstandigheden, waaronder de handicap van zijn zus, een verblijfsrecht rechtvaardigden. De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor het verblijfsdocument, omdat de zus onvoldoende zelfstandige middelen had (zij ontvangt een WAJONG-uitkering) en eiser niet ten laste kwam van haar. Ook het beroep op artikel 20 VWEU Pro werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing van een zodanige afhankelijkheidsrelatie.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de zaak inmiddels inhoudelijk was beslist. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verblijfsdocument is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.