ECLI:NL:RBDHA:2023:9761
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om proceskostenvergoeding na intrekking voorlopige voorziening visum
De verzoekster had een aanvraag voor een visum voor kort verblijf ingediend die door de minister van Buitenlandse Zaken werd afgewezen. Hiertegen maakte zij bezwaar en verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om het visum alsnog te verkrijgen of als zou zij het visum al bezitten te worden behandeld. Tevens verzocht zij om spoedige beslissing op bezwaar.
Op 13 juni 2023 werd alsnog een visum verstrekt, waarna de verzoekster op 16 juni 2023 haar verzoek om voorlopige voorziening introk en de rechtbank verzocht de minister te veroordelen tot vergoeding van haar proceskosten. De minister stelde dat het visum was verstrekt op basis van een nieuwe aanvraag en niet vanwege het verzoek om voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat niet was gebleken dat de minister aan de verzoekster was tegemoetgekomen in de zin van de Awb, zodat het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het visum op basis van een nieuwe aanvraag is verstrekt en niet vanwege het verzoek om voorlopige voorziening.