ECLI:NL:RBDHA:2023:9699
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid in vreemdelingenzaak
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 8 maart 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening. Na een beslissing op bezwaar op 12 mei 2022 is het bezwaar niet meer aanhangig. Omdat er geen beroep is ingesteld binnen de wettelijke termijn, is het verzoek om een voorlopige voorziening niet ontvankelijk verklaard.
De voorzieningenrechter baseert dit op artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat bepaalt dat een verzoek om een voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan als er een bezwaar of beroep aanhangig is. Het verzoek kon niet worden omgezet in een verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep omdat er geen beroep was ingesteld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze beslissing.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen bezwaar of beroep meer aanhangig is.