ECLI:NL:RBDHA:2023:9677
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking machtiging tot voorlopig verblijf
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in te trekken op grond van artikel 2m, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens heeft zij verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of er sprake is van spoedeisend belang en of het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Verzoekster heeft onvoldoende concreet gemaakt waarom er sprake zou zijn van spoedeisend belang, waarbij een algemene verwijzing naar de situatie in Soedan niet volstaat.
De rechter oordeelde dat het besluit niet evident onrechtmatig is, mede omdat er aanwijzingen zijn voor mogelijke fraude met de verstrekte laissez-passer. Hierdoor kon niet worden geconcludeerd dat de intrekking van de mvv onrechtmatig is.
Gelet op het ontbreken van spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de mvv is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en omdat het besluit niet evident onrechtmatig is.