AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak
Verzoekster, van Armeense nationaliteit, heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag op grond van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat haar uitzetting wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist.
De Staatssecretaris heeft zich niet verzet tegen de toewijzing van deze voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zag geen beletselen om het verzoek toe te wijzen en bepaalde dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 837,-.
De voorzieningenrechter gebiedt de Staatssecretaris zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting van verzoekster buiten Nederland en van voorbereidingen daartoe totdat op het bezwaar is beslist. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Verzoek tot voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoekster wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.21590
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster], verzoekster
geboren op [geboortedatum],
van Armeense nationaliteit,
v-nummer: [vnummer],
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 20 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeksters aanvraag om toepassing van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen.
Op 21 oktober 2022 heeft verzoekster tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij verzoekschrift van 21 oktober 2022 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.
Bij brief van 14 april 2023 heeft verweerder de rechtbank bericht zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorziening
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Nu verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om deze toe te wijzen, zal worden beslist als hierna aangegeven.
3. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van deze procedure. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit Proceskosten bestuursrecht voor de door de derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 837,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek toe;
gebiedt verweerder om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoekster en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van B. van der Wiel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.