Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
bewindvoerder over de goederen van [naam 1],
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft de uitleg van het begrip 'samenwonen' in het testament van een overledene met een verstandelijke beperking, die sinds 1986 een relatie had met zijn partner, eveneens verstandelijk beperkt. Zij woonden aanvankelijk samen in een instelling en hadden een samenlevingsovereenkomst en testamenten waarin zij elkaar als enige erfgenaam benoemden, onder de voorwaarde dat zij samenwoonden bij overlijden.
De overledene verhuisde in 2010 naar een andere afdeling binnen de instelling vanwege zijn verslechterde gezondheid, waardoor zij feitelijk niet meer samenwoonden. De eiseres, nicht van de overledene, betoogde dat daardoor de voorwaarde van samenwonen niet was vervuld en het testament geen werking meer had.
De rechtbank overwoog dat de samenlevingsovereenkomst en het testament zijn opgesteld met het oog op hun langdurige relatie en gezamenlijke huishouding, ook al was die niet zelfstandig of conventioneel. Jurisprudentie ondersteunt dat het wegvallen van feitelijk samenwonen door omstandigheden buiten de wil van partijen de erfstelling niet automatisch doet vervallen.
De begeleidingsplannen bevestigden dat de relatie voortduurde en dat het feitelijk apart wonen het gevolg was van zorgbehoefte, niet van beëindiging van de relatie. Daarom oordeelde de rechtbank dat de partner nog steeds als enig erfgenaam geldt en wees de vorderingen van de eiseres af. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en bevestigt dat de ex-partner als enig erfgenaam geldt ondanks feitelijk apart wonen.