ECLI:NL:RBDHA:2023:9082

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2023
Publicatiedatum
26 juni 2023
Zaaknummer
NL23.12763
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awbartikel 4 Handvest van de Europese Unieartikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, van Iraakse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De staatssecretaris heeft een verzoek tot terugname aan Oostenrijk gedaan, waarop Oostenrijk niet tijdig heeft gereageerd, wat wordt gezien als aanvaarding van het verzoek. Eiser voert aan dat zijn gecompliceerde medische problematiek en tekortkomingen in het Oostenrijkse opvangsysteem maken dat overdracht niet verantwoord is.

De rechtbank overweegt dat eiser onvoldoende objectieve gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn gezondheidstoestand zodanig ernstig is dat overdracht een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest oplevert. Het enkele medisch dossier is onvoldoende om de bijzondere ernst en onomkeerbare gevolgen aan te tonen.

De rechtbank concludeert dat de staatssecretaris terecht heeft besloten de asielaanvraag buiten behandeling te stellen en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.12763

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam]

V-nummer: [nummer] ,
hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 april 2023 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft hierop niet tijdig gereageerd. Dat staat gelijk aan het aanvaarden van het verzoek.
Medische problematiek
5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe, onder herhaling en inlassing van de zienswijze, het volgende aan. De gecompliceerde medische problematiek maakt dat niet zonder meer ervan mag worden uitgegaan dat overdracht aan Oostenrijk verantwoord is. In de zienswijze is gewezen op de tekortkomingen in het Oostenrijks opvangsysteem. Ten onrechte wil de staatssecretaris niet aannemen dat door middel van het overleggen van een medische rapportage duidelijk moet zijn dat de kwetsbaarheid van eiser is gegeven.
6. De rechtbank overweegt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij een reëel risico zal lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest. Ten aanzien van de door eiser gestelde medische omstandigheden overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [2] volgt dat het aan de vreemdeling is om objectieve gegevens over te leggen die de bijzondere ernst van de gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Eiser heeft in beroep zijn medisch dossier overgelegd. Daaruit blijkt dat eiser veelvuldig de huisarts bezoekt. Het enkele overleggen van het medisch dossier is echter onvoldoende om te onderbouwen dat eiser een zodanig kwetsbare gezondheid heeft dat geen overdracht kan plaatsvinden. Evenmin is hiermee onderbouwd dat en hoe, eisers medische situatie aanzienlijk en onomkeerbaar zal verslechteren door de overdracht aan Oostenrijk.
De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit uitgebreid en deugdelijk gemotiveerd dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser en dat in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond ligt om de asiel aanvraag aan zich te trekken. Wat in beroep overigens nog is aangevoerd kan daaraan niet afdoen.
De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

7. De staatssecretaris heeft de aanvraag terecht buiten behandeling gesteld.
Het beroep is kennelijk ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Brouwer, rechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2017:2986 en ECLI:RVS: 2019:1190